Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank constateerde dat de uiterste beslistermijn van 21 maanden, zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, was overschreden. De verlenging van de beslistermijn door verweerder met negen maanden werd onvoldoende gemotiveerd bevonden, waardoor de wettelijke beslistermijn van zes maanden van toepassing bleef.
De rechtbank oordeelde dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, tot een maximum van €15.000. Tevens werden proceskosten van €453,50 aan eiser toegekend voor de rechtsbijstand.
De rechtbank benadrukte dat het beroep gegrond is verklaard omdat aan de voorwaarden voor een beroep tegen niet tijdig beslissen was voldaan, waaronder een correcte ingebrekestelling en het verstrijken van de wettelijke termijnen. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via een geanonimiseerde publicatie.