ECLI:NL:RBDHA:2025:16719
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis pleegkind wegens ontbreken gezinsband bij binnenkomst referent
Eiser, een minderjarige met de Somalische nationaliteit, verzocht via zijn zus, de referent, om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. De referent, houder van een asielvergunning, diende de aanvraag in nadat hun moeder was overleden en eiser haar pleegzoon werd. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser bij de inreis van de referent in Nederland niet tot haar gezin behoorde, maar nog bij zijn moeder woonde.
Eiser betoogde dat hij vóór vertrek van de referent deel uitmaakte van hetzelfde gezin en dat de gezinsband niet verbroken was door latere pleegzorg. Hij verwees naar jurisprudentie die dit ondersteunt en stelde dat bijzondere omstandigheden, zoals het verlies van ouders en het missen van een nichtje, tot een andere beoordeling zouden moeten leiden.
De rechtbank oordeelde dat de Vreemdelingenwet 2000 strikt vereist dat het pleegkind op het moment van binnenkomst van de referent tot haar gezin moet behoren. Omdat eiser toen nog bij zijn moeder woonde, werd niet aan deze voorwaarde voldaan. Bijzondere omstandigheden bieden geen grond voor afwijking. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat inmiddels een besluit was genomen. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard omdat eiser bij binnenkomst van de referent niet tot haar gezin behoorde.