ECLI:NL:RVS:2012:BY0146
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezinsband niet-biologische kinderen bij aanvraag verblijfsvergunning
De zaak betreft een hoger beroep van de minister van Buitenlandse Zaken tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van vreemdelingen tegen de afwijzing van hun machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) gegrond verklaarde. De vreemdelingen, een biologische zoon en een pleegzoon van een verblijfsvergunninghouder, hadden een aanvraag ingediend op grond van artikel 29, lid 1, aanhef en onder e van de Vreemdelingenwet 2000.
De kern van het geschil was de uitleg van de gezinsband tussen de vreemdelingen en de hoofdpersoon, met name of het feitelijk onderbrengen van niet-biologische kinderen in een ander gezin na vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst automatisch betekent dat de gezinsband is verbroken. De minister stelde dat dit het geval was, gebaseerd op vermoedens van misbruik van de nareisregeling.
De Raad van State oordeelde dat de wetgever met artikel 29 Vw Pro 2000 de gezinseenheid wil behouden en dat het peilmoment voor de gezinsband het moment van vertrek uit het land van herkomst is. Het beleid van de minister dat niet-biologische kinderen die na vertrek in een ander gezin zijn opgenomen automatisch niet meer tot het gezin behoren, is in strijd met de wet. Enkel het feit dat zij elders zijn ondergebracht, leidt niet zonder nadere motivering tot het oordeel dat de gezinsband is verbroken.
De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.