Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:16897

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
15 september 2025
Zaaknummer
24_8101
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering WIA-uitkering wegens verrichte arbeid in supermarkt

Eiser ontving sinds 2012 een WIA-uitkering. Na een controle door het Haags Economisch Interventie Team (HEIT) in oktober 2023 bij een supermarkt waar eiser werkzaam zou zijn, stelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) vast dat eiser vanaf 1 augustus 2023 op geld waardeerbare arbeid had verricht. Dit leidde tot herziening van de uitkering en terugvordering van het teveel betaalde bedrag.

Eiser betwistte de werkzaamheden en stelde dat hij niet of nauwelijks werkzaam was, en dat de basis voor de terugvordering onvoldoende was. De rechtbank oordeelde echter dat de aanwezigheid van eiser tijdens reguliere uren en zijn eigen verklaring over de werkzaamheden voldoende grondslag vormden voor de herziening en terugvordering.

Daarnaast werd een boete opgelegd wegens het niet melden van de werkzaamheden. Eiser voerde hiertegen geen zelfstandige beroepsgronden aan, waardoor de boete gehandhaafd bleef. De rechtbank wees het beroep tegen de besluiten ongegrond, verklaarde het beroep tegen de periode en het bedrag van terugvordering niet-ontvankelijk en veroordeelde het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening, terugvordering en boete is ongegrond verklaard en verweerder moet griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8101

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.L. Gijsberts),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

(gemachtigde: T. Eversteijn).

Inleiding

Bij besluit van 31 januari 2024 (primair besluit I) heeft verweerder de aan eiser toegekende uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) over de periode van 1 augustus 2023 tot en met 31 december 2023 herzien en de over die periode
teveel betaalde WIA-uitkering, een bedrag van € 3.233,10 bruto, van eiser teruggevorderd.
Bij besluit van 31 januari 2024 (primair besluit II) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 969,93.
Bij besluit van 9 september 2024 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Bij besluit van 24 februari 2025 (bestreden besluit II) heeft verweerder bestreden besluit I gewijzigd, in die zin dat de periode waarover de WIA-uitkering wordt herzien en teruggevorderd wordt beperkt tot 1 augustus 2023 tot en met 26 november 2023 en dat terugvorderingsbedrag wijzigt naar € 2.407,88.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiser zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Aan eiser is per 24 april 2012 een WIA-uitkering toegekend.
Op 6 oktober 2023 heeft een controle plaatsgevonden door het Haags Economisch Interventie Team (HEIT) bij de onderneming “supermarkt en slijterij Polski Smak”. De bevindingen van dit team waren voor de afdeling Handhaving van verweerder reden nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan eiser verstrekte WIA-uitkering. In dat kader is eiser op 13 november 2023 gehoord door de afdeling Handhaving. Deze afdeling heeft op 21 november 2023 rapport uitgebracht.
2. Verweerder heeft zich op standpunt gesteld dat gezien het rapport van het HEIT alsmede eisers verklaring op 13 november 2023 eiser sinds 1 augustus 2023 op geld waardeerbare werkzaamheden in voormelde supermarkt heeft verricht. Volgens verweerder had eiser voor zijn werk minimaal het minimumloon kunnen verdienen. Eiser heeft deze werkzaamheden niet gemeld en daarmee zijn inlichtingenplicht geschonden. Hierdoor is aan eiser over de periode van 1 augustus 2023 tot en met 26 november 2023 te veel aan WIA-uitkering betaald en dient dit van eiser te worden teruggevorderd. Tevens wordt aan eiser een boete te worden opgelegd.
3. Eiser voert aan dat hij geen werkzaamheden in de winkel heeft verricht, althans werkzaamheden waarvan de omvang zodanig is dat deze in het normale verkeer op geld waardeerbaar zijn. De bevindingen van het HEIT en van verweerder bieden volgens eiser daarvoor een te magere basis. Onduidelijk blijft welke concrete werkzaamheden hij zou hebben verrichten en al helemaal dat hij met die werkzaamheden 20 uur per week zou vullen. Dat eiser en zijn zoon in een gesprek met verweerder hebben aangegeven dat hij 20 uur per week in de supermarkt aanwezig was, betekent nog niet dat hij dan ook 20 uur per week werkzaam was. Daar komt bij dat hij in feite niet werkend is aangetroffen in de winkel. Verder stelt eiser dat na 13 november 2023 in het geheel niet is vastgesteld dat hij in de supermarkt is geweest, laat staan dat hij werkzaamheden heeft verricht.
Verweerder is volgens eiser dan ook ten onrechte overgegaan tot de terugvorderen van de WIA-uitkering en het opleggen van een boete.
Herziening en terugvordering
Bestreden besluit I
4. Verweerder is bij bestreden besluit II teruggekomen op bestreden besluit I wat betreft de periode van terugvordering en het terugvorderingsbedrag. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser in zoverre nog een (proces)belang heeft bij de beoordeling van bestreden besluit I. Het beroep van eiser, voor zover gericht tegen de periode van terugvordering en het terugvorderingsbedrag, zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Bestreden besluit II
5.1.
Volgens vaste rechtspraak [1] veronderstelt de aanwezigheid op een bestaande werkplek tijdens reguliere arbeidsuren dat de desbetreffende persoon bij geconstateerde aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Het is aan die persoon om het tegendeel aannemelijk te maken.
5.2.
Uit het dossier is de rechtbank gebleken dat het HEIT-team op 6 oktober 2023 om 15.15 uur en 17.37 uur die dag heeft geconstateerd dat eiser kassawerkzaamheden in de winkel verrichtte. Voorts heeft eiser bij het gesprek op 13 november 2023 verklaard dat hij vanaf augustus 2023 dagelijks in de winkel aanwezig is, dat hij 20 uur per week in de winkel aanwezig is en dat hij daar lichte werkzaamheden verricht. Deze omstandigheden vormen naar het oordeel van de rechtbank een toereikende grondslag voor het standpunt dat eiser vanaf 1 augustus 2023 op geld waardeerbare arbeid heeft verricht. Ook na 13 november 2023 is er reden om aan te nemen dat eiser werkzaamheden in de winkel heeft verricht, nu de zoon van eiser, die (mede)eigenaar is van de winkel, in het gesprek op 13 november 2023 heeft verklaard dat hij er voor gaat zorgen dat er een contract komt voor eiser. Dat dit contract er nooit is gekomen, zoals ter zitting door eiser gesteld, omdat er geen middelen waren om eiser te betalen doet aan de feitelijke werkzaamheden niet af.
5.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de WIA-uitkering van eiser over de periode van 1 augustus 2023 tot en met 26 november 2023 herzien en de over deze periode ten onrechte betaalde WIA-uitkering van eiser teruggevorderd. Gesteld noch gebleken is van dringende redenen op grond waarvan van herziening en terugvordering moet worden afgezien.
5.4.
Het beroep gericht tegen bestreden besluit II is ongegrond
Boete
6. Verweerder heeft aan eiser vanwege het niet melden van diens werkzaamheden een boete opgelegd. Daarbij heeft verweerder het benadelingsbedrag vastgesteld op € 1.939,86, zijnde het bedrag dat eiser te veel aan WIA-uitkering heeft ontvangen in de periode 1 augustus 2033 tot en met 31 oktober 2023. De boete komt daarmee op 50% van het benadelingsbedrag, een bedrag van € 969,93. Dit bedrag heeft verweerder bij het bestreden besluit I gehandhaafd.
7.1.
Eiser heeft geen zelfstandige beroepsgronden heeft ingediend tegen de opgelegde boete, zodat het opleggen van de boete en de hoogte daarvan geen bespreking behoeft.
7.2.
Het beroep gericht tegen het bestreden besluit I voor zover daarbij de boete is opgelegd is ongegrond
Griffierecht en proceskosten
8. Nu verweerder hangende de beroepsprocedure zijn standpunt wat betreft de periode van herziening en terugvordering heeft gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder het door eiser griffierecht aan eiser moet vergoeden. Tevens ziet de rechtbank om die reden aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit I voor wat betreft de herziening en terugvordering niet ontvankelijk;
- verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit I voor het overige ongegrond;
- verklaart het beroep gericht tegen bestreden besluit II ongegrond;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.