ECLI:NL:CRVB:2022:1856
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens onrechtmatige werkzaamheden
Appellant ontvangt sinds 2015 bijstand en werkte eerder als bezorger bij een eethuis. Naar aanleiding van een anonieme tip startte het college een rechtmatigheidsonderzoek. Tijdens observaties in 2020 is appellant op verschillende dagen en tijden werkend gezien in het eethuis, onder meer in de keuken en achter de toonbank, en gebruikmakend van bezorgauto's. Appellant erkende werkzaamheden te verrichten, maar stelde dat hij niet werkte omdat hij niet betaald kreeg en werken fulltime zou zijn.
Het college trok de bijstand per 1 juli 2020 in en vorderde ontvangen bijstand terug wegens het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden zonder melding te maken, wat een schending van de inlichtingenverplichting vormt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat aanwezigheid op een werkplek tijdens reguliere uren de veronderstelling wekt dat er arbeid is verricht, en dat appellant dit niet heeft weerlegd.
In hoger beroep herhaalde appellant dat zijn aanwezigheid sociaal van aard was en dat de verrichte handelingen simpel en niet structureel waren. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde om de gemotiveerde uitspraak van de rechtbank te weerleggen en bevestigde de uitspraak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellant geen aannemelijk bewijs leverde dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte.