Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist op zijn asielaanvraag van 17 februari 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen een door eiser gestelde extra termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet de minister binnen een termijn van zestien weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit nemen, volgens het zogeheten ‘8+8 wekenmodel’. De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars zonder zitting. Eiser krijgt hiermee gelijk en de minister wordt gedwongen alsnog binnen de gestelde termijn een besluit te nemen.