ECLI:NL:RBDHA:2025:1702
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening naar België
Opposante, een alleenstaande vrouw met twee minderjarige kinderen en de Eritrese nationaliteit, had een asielaanvraag ingediend die door de Minister van Asiel en Migratie niet in behandeling werd genomen omdat België verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank had dit besluit eerder ongegrond verklaard en opposante stelde verzet in tegen deze uitspraak.
De rechtbank overwoog dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België van toepassing is, waarbij kwetsbare groepen zoals gezinnen en vrouwen voorrang krijgen bij opvang. Opposante stelde dat zij bijzonder kwetsbaar is vanwege bedreigingen door haar echtgenoot en de situatie van opvangtekorten in België, maar deze stellingen werden onvoldoende onderbouwd bevonden.
De rechtbank oordeelde dat de situatie in België geen aanleiding geeft om het vertrouwensbeginsel te verwerpen en dat de aangifte tegen de echtgenoot naar verwachting adequaat wordt behandeld. Ook werd geoordeeld dat het voornemen van de minister voldoende gemotiveerd was en dat het beroep zonder zitting buiten redelijke twijfel ongegrond kon worden verklaard.
Het verzet werd ongegrond verklaard, waardoor de eerdere uitspraak en het besluit van de minister in stand blijven. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzet tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.