Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2025 in de zaak tussen
[partij B] B.V., [partij C] B.V.en
[partij D], uit [plaats 1] , samen te noemen: [partij A tm D]
Rechtbank Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg verleende een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning nabij een glastuinbouwbedrijf. Het bedrijf stelde beroep in vanwege vrees voor belemmering van de bedrijfsvoering door de geringe afstand tot de woning en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
Het college wijzigde de vergunning met aanvullende motivering en voorschriften, maar trok deze vergunning later geheel in omdat een deugdelijke motivering ontbrak. De rechtbank gaf partijen gelegenheid tot zienswijze en behandelde het beroep op zitting.
De rechtbank oordeelde dat het beroep mede gericht was tegen de wijziging en de intrekking van de vergunning. Het glastuinbouwbedrijf trok het beroep in en verzocht om een proceskostenvergoeding, welke het college accepteerde maar zonder bijzondere verhoging. De rechtbank wees een forfaitaire vergoeding toe, omdat geen sprake was van bijzondere omstandigheden zoals het tegen beter weten in handhaven van het besluit.
Het beroep van rechtswege van de vergunninghouder werd ongegrond verklaard omdat deze geen beroepsgronden had ingebracht. De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten van € 2.267,50 aan het glastuinbouwbedrijf.
Uitkomst: Het beroep van het glastuinbouwbedrijf is ingetrokken, het college wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding en het beroep van rechtswege van de vergunninghouder wordt ongegrond verklaard.