ECLI:NL:RVS:2025:2712
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schadevergoeding van €1.000 voor onrechtmatig opgelegd gebiedsverbod
Bij besluit van 29 december 2020 legde de burgemeester van Breda aan appellant een gebiedsverbod op, dat hem verbood zich in een bepaald gebied te bevinden. Dit gebiedsverbod betrof onder meer de wijk Hoge Vlucht, waar appellant als jongerenwerker werkzaam was. Het besluit werd op 31 december 2020 geschorst en op 18 maart 2021 ingetrokken, waarmee de onrechtmatigheid vaststond.
Appellant vorderde een schadevergoeding van €6.500 voor immateriële schade en €5.000 voor inkomensderving, alsmede vergoeding van proceskosten. De rechtbank kende slechts €1.000 toe voor immateriële schade en wees de overige vorderingen af. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze beslissing.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de inkomensschade het gevolg was van het gebiedsverbod, mede gelet op de korte duur van het verbod en de overige omstandigheden zoals zijn ziekmelding en eerdere aanhouding. Ook vond de Afdeling dat appellant onvoldoende had onderbouwd waarom de immateriële schadevergoeding hoger moest zijn dan €1.000. Daarnaast werd het beroep op shockschade en schending van het recht op een eerlijk proces verworpen.
Ten slotte bevestigde de Afdeling dat de forfaitaire proceskostenvergoeding passend was en dat geen bijzondere omstandigheden bestonden om hiervan af te wijken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; schadevergoeding van €1.000 bevestigd, overige vorderingen afgewezen.