De rechtbank Den Haag behandelde op 19 september 2025 twee beroepen van eiser tegen besluiten van het COa en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste betreft het besluit tot plaatsing van eiser in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen na een ernstig geweldsincident op het AZC in Ter Apel. Het tweede betreft een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister, welke later werd opgeheven omdat eiser afzag van opvang.
Eiser stelde dat het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel onrechtmatig waren vanwege het ontbreken van een GZA-akkoord en onvoldoende motivering, en dat het COa aanvullend onderzoek had moeten verrichten. Tevens voerde hij aan dat het gebruik van geweld binnen de HTL onbevoegd was en dat zijn recht op privéleven werd geschonden.
De rechtbank oordeelde dat het GZA akkoord op 20 augustus 2025 was verleend en dat er geen medische belemmeringen waren voor plaatsing. Het ernstige geweldsincident werd niet betwist en rechtvaardigde volgens het maatregelenbeleid van het COa de maatregel. De rechtbank vond de motivering voldoende en zag geen aanleiding voor aanvullend onderzoek. Ook de juridische grondslag van de HTL-maatregel en de vrijheidsbeperkende maatregel werden bevestigd aan de hand van eerdere jurisprudentie.
Daarom verklaarde de rechtbank de beroepen ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en legde geen proceskostenveroordeling op. Tegen het plaatsingsbesluit staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet.