ECLI:NL:RBDHA:2025:17387
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid voorzieningenrechter bij beroep tegen informatieve brief over beëindiging tijdelijke bescherming
Verzoeker, van Algerijnse nationaliteit, viel onder de tijdelijke bescherming voor derdelanders uit Oekraïne. De minister beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde op 21 februari 2024 een terugkeerbesluit op. Verzoeker stelde beroep in tegen een brief van 18 augustus 2025 waarin de minister informeerde over het einde van de bevriezingsmaatregel en de gevolgen van het beëindigen van de tijdelijke bescherming.
De voorzieningenrechter oordeelde dat deze brief geen nieuw besluit was en geen nieuwe rechtsgevolgen bevatte. Het beroep tegen deze brief was daarom niet ontvankelijk en de voorzieningenrechter was onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van connexiteit.
De eerdere besluiten tot beëindiging van de tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit stonden in rechte vast, omdat daartegen geen hoger beroep was ingesteld. De brief van 18 augustus 2025 was slechts informatief en verving of herzag het eerdere terugkeerbesluit niet. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van connexiteit.