ECLI:NL:RBDHA:2025:17401

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 september 2025
Publicatiedatum
23 september 2025
Zaaknummer
NL25.43111
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 2 Wet op de identificatieplichtArt. 447e SrArt. 461 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie legde op 6 september 2025 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde hiertegen beroep in, dat tevens werd aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 17 september 2025.

Eiser betoogde dat de bewaring onrechtmatig was omdat niet duidelijk was hoe hij in de macht van de minister was gekomen, en dat uit het dossier niet bleek dat hij een van de vier mannen was die uit een vrachtwagen waren geklommen en gevlucht. De rechtbank oordeelde echter dat voldoende was komen vast te staan dat eiser via een strafrechtelijk voortraject in de macht van de minister was gekomen, onder meer op basis van een proces-verbaal van aanhouding wegens overtreding van de Wet op de identificatieplicht en het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat de bewaringsrechter zich mocht uitlaten over het strafrechtelijk voortraject en wees op vaste jurisprudentie dat dit niet ter toetsing ligt. Ook ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring, conform het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 8 november 2022, leverde geen onrechtmatigheden op.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43111

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser]

[v-nummer]
(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

Bij besluit van 6 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen C. Regasa. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Strafrechtelijk voortraject
1. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig is, omdat niet duidelijk is hoe hij in de macht van verweerder is gekomen. Volgens het dossier zijn verbalisanten afgekomen op een melding van vier mannen die uit een vrachtwagen waren geklommen en gevlucht. Twee van hen zijn strafrechtelijk aangehouden, maar uit de stukken blijkt niet duidelijk dat eiser een van hen is. Dat in een stuk staat vermeld dat eiser op 6 september 2025 om 11:20 uur strafrechtelijk is voorgeleid, is in dit verband onvoldoende. Onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 29 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14656, betoogt eiser dat de bewaringsrechter zich wel mag uitlaten over het strafrechtelijk voortraject.
2. De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat eiser via een strafrechtelijk voortraject in de macht van verweerder is gekomen. Er bevindt zich immers een proces-verbaal van aanhouding van eiser op 6 september 2025 om 8:15 uur in het dossier wegens overtreding van artikel 2 van Pro de Wet op de identificatieplicht, in samenhang met de artikelen 447e en 461 van het Wetboek van Strafrecht. Dit komt overeen met de feitelijke situatie en tijdstippen geschetst in de processen-verbaal van bevindingen. Dat eisers naam daarin niet expliciet wordt genoemd, leidt de rechtbank niet tot de conclusie dat niet kan worden uitgegaan van het proces-verbaal van aanhouding. Daarbij komt dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij in een vrachtauto is gestapt met als doel naar het Verenigd Koninkrijk te reizen, en dat het niet de bedoeling was om in de Rotterdamse haven terecht te komen. De door eiser afgelegde verklaring komt ook geheel overeen met de feitelijke situatie ten tijde van zijn aanhouding. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om eraan te twijfelen dat voorafgaand aan de inbewaringstelling sprake is geweest van een strafrechtelijk voortraject. Dit voortraject ligt ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet ter toetsing voor [1] . De door eiser aangehaalde uitspraak is voor de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. Eiser heeft verder geen gronden aangevoerd. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Het is niet aan de vreemdelingenrechter om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden; zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:275)