ECLI:NL:RBDHA:2025:17586
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verblijfsvergunning en uitzetting
Verzoeker, een Iraanse nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor het zoeken naar en verrichten van arbeid en voor verlenging van een verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden. Deze aanvragen werden door de minister van Asiel en Migratie afgewezen op grond van een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid, waarbij tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van tien jaar werden opgelegd.
Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen die het besluit zou schorsen en hem zou beschermen tegen uitzetting gedurende de bezwaarprocedure. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en uitzetbaar is, maar dat er geen spoedeisend belang bestaat omdat uitzetting op korte termijn niet dreigt en de bezwaarprocedure spoedig wordt afgerond.
De voorzieningenrechter nam ook het standpunt in dat de financiële gevolgen die verzoeker aanvoerde onvoldoende waren onderbouwd om een spoedeisend belang aan te nemen. Verzoeker kon niet aannemelijk maken dat hij of zijn onderneming door het besluit op korte termijn in ernstige financiële problemen zou komen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.