Art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000Art. 64 Vw 2000Art. 96, eerste lid, Vw 2000Art. 96, derde lid, Vw 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister heeft op 22 april 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die sindsdien voortduurt. Eiser heeft meerdere keren beroep ingesteld tegen deze maatregel, waarbij de rechtbank steeds de rechtmatigheid heeft bevestigd. In het huidige beroep stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend is bij de uitzetting en dat zijn belangen zwaarder wegen dan het algemeen belang.
De rechtbank toetst uitsluitend de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel sinds 20 augustus 2025. Uit de stukken blijkt dat de minister maandelijks rappelleert bij de Gambiaanse autoriteiten en regelmatig vertrekgesprekken voert met eiser, wat als voldoende voortvarend handelen wordt beoordeeld. Het langdurige traject van de laissez-passer-aanvraag en de aparte procedure op grond van artikel 64 VwPro 2000 kunnen de minister niet worden aangerekend.
Verder weegt de rechtbank mee dat eiser onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit en nationaliteit, waardoor de minister de belangenafweging in zijn nadeel heeft laten uitvallen. De rechtbank concludeert dat het belang van de minister bij voortduring van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te oordelen bij ambtshalve toetsing en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wijst zij het verzoek om schadevergoeding af en bepaalt dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en de maatregel blijft gehandhaafd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45327
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
de minister van Asiel en Migratie
Procesverloop
1. De minister heeft op 22 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist met de uitspraak van 9 mei 2025. [2] Op het eerste vervolgberoep is beslist met de uitspraak van 18 juni 2025. [3] Op het tweede vervolgberoep is beslist met de uitspraak van 22 juli 2025. [4] Op het derde vervolgberoep is beslist met de uitspraak van 27 augustus 2025. [5]
1.2.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.3.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft op 22 september 2025 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat de zaak niet op een zitting zal worden behandeld. [6]
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. [7]
2.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 27 augustus 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 20 augustus 2025) rechtmatig is.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser heeft op 16 juli 2025 een procedure gestart op grond van artikel 64 vanPro de Vw 2000. Dat is nu ruim twee maanden geleden. De minister heeft ten onrechte geen voorrang gegeven aan het behandelen van eisers artikel 64 VwPro-procedure, aangezien de maatregel van bewaring zo kort mogelijk moet zijn en de minister gehouden is zo snel mogelijk een beslissing te nemen op het verzoek. Eiser wijst daarnaast op de omstandigheid dat de aanvraag voor een laissez-passer (lp) inmiddels zes maanden duurt. Het had daarom op de weg van de minister gelegen om te rappelleren op dossierniveau.
3.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister werkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De reden hiervoor is dat de minister maandelijks rappelleert bij de Gambiaanse autoriteiten. De laatste keer was dit op 4 september 2025. Daarnaast heeft de minister maandelijks een vertrekgesprek met eiser, waarvan de laatste op 10 september 2025 was. Deze handelwijze van de minister is volgens de rechtbank voldoende om te kunnen spreken van voortvarend handelen. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de minister bij de huidige stand zaken op dossierniveau had moeten rappelleren. Dat de lp-aanvraag inmiddels zes maanden duurt is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Voor zover eiser aanvoert dat de minister onvoldoende voortvarend handelt omdat de minister nog niet heeft beslist op de aanvraag die eiser heeft ingediend in het kader van artikel 64 vanPro de Vw 2000, kan dit betoog niet slagen. Zoals deze zittingsplaats eerder oordeelde in de uitspraak van 27 augustus 2025, ziet de artikel 64 VwPro 2000-aanvraag namelijk op een aparte procedure die los staat van eisers beroep tegen de maatregel van bewaring. De bewaringsrechter toetst dat daarom niet.
Had de belangenafweging in het voordeel van eiser moeten uitvallen?
4. Eiser voert vervolgens aan dat zijn belangen zwaarder wegen dan die van het algemeen belang, omdat de maatregel van bewaring inmiddels acht maanden duurt en de lp-aanvraag zes maanden.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft geen aanleiding hoeven zien om de belangenafweging in het voordeel van eiser uit te laten vallen. Uit de voortgangsrapportage over de uitzetting (het M120-formulier) volgt dat de minister de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen, omdat uit de stukken blijkt dat eiser geen controleerbare inspanningen heeft verricht om concrete en verifieerbare gegevens met betrekking tot zijn identiteit of nationaliteit te verkrijgen. Uit het vertrekgesprek van 10 september 2025 blijkt dat eiser in zijn artikel 64 VwPro 2000-procedure heeft aangegeven dat hij uit Ghana komt, terwijl eiser bij de presentatie in persoon bij de Ghanese autoriteiten heeft aangegeven dat hij uit Senegal komt. Tot op heden heeft eiser de door hem gestelde nationaliteit niet onderbouwd, terwijl het eisers verantwoordelijkheid is om zijn identiteit aan te tonen en terugkeer te realiseren. De omstandigheid dat eiser op dit moment acht maanden op verschillende grondslagen in bewaring zit en dat het lp-traject zes maanden loopt, doet niet af aan de voorgaande verantwoordelijkheid. Dat eiser hierdoor langer in bewaring zit ligt hierdoor in zijn eigen risicosfeer. De hiervoor genoemde omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [8]
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Rb. Den Haag (zp. Zwolle) 9 mei 2025, zaaknummer NL25.19319 (niet gepubliceerd).
3.Rb. Den Haag (zp. Zwolle) 18 juni 2025, zaaknummer NL25.25921 (niet gepubliceerd).