ECLI:NL:RBDHA:2025:1770
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij beëindiging opvang vreemdeling zonder acute medische noodsituatie
Verzoekster, een Iraakse asielzoeker, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister baseert dit op een BMA-advies waarin staat dat verzoekster in staat is te reizen en dat noodzakelijke medische zorg beschikbaar is in Irak en Turkije.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, omdat niet is gebleken dat verzoekster een acute medische noodsituatie heeft die een voortzetting van opvang rechtvaardigt. De voorzieningenrechter oordeelt dat het BMA-advies voldoende inzicht geeft en dat verzoeksters bezwaren tegen de medische beoordeling niet onderbouwd zijn.
Verder is vastgesteld dat verzoekster niet behoort tot de categorieën die recht hebben op opvang volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005. De minister is niet verplicht opvang te verlenen tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals een acute medische noodsituatie, welke hier niet is aangetoond.
De voorzieningenrechter benadrukt dat verzoekster recht heeft op medisch noodzakelijke zorg volgens artikel 10, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. Het verzoek om vrijstelling van griffierecht is toegekend, maar het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister om geen uitstel van vertrek en opvang te verlenen is afgewezen wegens het ontbreken van een acute medische noodsituatie.