ECLI:NL:RBDHA:2025:17808

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 september 2025
Publicatiedatum
29 september 2025
Zaaknummer
25.38012
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinoverdracht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Nederland heeft op 31 juli 2025 een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat op 1 augustus 2025 is aanvaard.

De rechtbank beoordeelt ambtshalve of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt aangenomen dat een vreemdeling die met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact onderhoudt met zijn gemachtigde, geen prijs meer stelt op internationale bescherming in Nederland.

De rechtbank stelt vast dat eiser per 11 augustus 2025 is overgedragen aan Duitsland en dat de gemachtigde sinds die datum geen contact meer heeft met eiser. Daarom ontbreekt het procesbelang en verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na overdracht aan Duitsland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38012

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 6 augustus 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 31 juli 2025 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 1 augustus 2025 aanvaard.
4. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep.
5. De vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is als volgt. Wanneer een vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken, zonder de minister te laten weten waar hij verblijft, wordt er in beginsel van uitgegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland. [1] Dit is alleen anders als de vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde contact heeft met de vreemdeling over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
6. De rechtbank stelt vast dat uit de brief van de minister van 20 augustus 2025 volgt dat eiser per 11 augustus 2025 is overgedragen. Bij schrijven van 28 augustus 2025 heeft de gemachtigde desgevraagd laten weten dat zij sinds de overdracht geen contact meer heeft met eiser. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming of op een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het procesbelang ontbreekt daarom.
7. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.