ECLI:NL:RBDHA:2025:17981
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing intrekking bestuursdwangbesluit en toekenning proceskostenvergoeding
Eiseres maakte bezwaar tegen het bestuursdwangbesluit waarbij haar fiets begin augustus 2024 werd verwijderd en opgeslagen. Verweerder trok het primaire besluit in omdat het niet meer kon worden teruggevonden en betaalde de kosten van € 26,- terug. Eiseres betwistte de rechtmatigheid van het besluit en stelde dat het besluit niet correct was bekendgemaakt.
De rechtbank oordeelde dat het verwijderen van de fiets een bestuursdwangbesluit is, ook al was het besluit niet schriftelijk aan eiseres bekendgemaakt. De intrekking van het besluit door verweerder werd beschouwd als een besluit op bezwaar. Omdat verweerder het besluit herroept zonder proceskostenvergoeding toe te kennen, terwijl daar wel om was gevraagd, is er procesbelang aanwezig.
De rechtbank stelde vast dat de intrekking gelijkstaat aan herroeping wegens een aan verweerder toe te rekenen onrechtmatigheid, waardoor verweerder gehouden is de proceskosten te vergoeden. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd voor zover het geen kostenvergoeding toekent, en verweerder werd veroordeeld tot betaling van een forfaitaire kostenvergoeding van € 647,- voor de bezwaarfase, € 1.814,- aan proceskosten in beroep en het griffierecht van € 187,-.
Een verzoek tot schadevergoeding wegens taxikosten werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid. De rechtbank stelde het bezwaar gegrond en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit op bezwaar. De uitspraak werd gedaan door rechter D.C. Laagland op 16 september 2025.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.