ECLI:NL:RBDHA:2025:18005

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.24361
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Tamil Eelam-aanhanger met politieke overtuiging

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 30 september 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn opvolgende asielaanvraag beoordeeld. Eiser, een aanhanger van de Tamil Eelam-beweging, heeft op 5 juni 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend, die door de minister van Asiel en Migratie op 26 mei 2025 als kennelijk ongegrond is afgewezen. De rechtbank heeft de zaak op 11 augustus 2025 behandeld, waarbij zowel eiser als zijn gemachtigden en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is, wat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser heeft eerder vijf asielprocedures doorlopen, waarvan de meest recente afwijzing op 12 april 2019 in rechte vast is komen te staan. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka gevaar loopt vanwege zijn politieke activiteiten in Nederland, maar de rechtbank concludeert dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat. De minister heeft terecht geoordeeld dat de deelname van eiser aan demonstraties in Nederland niet voldoende is om een gegronde vrees voor vervolging aan te tonen.

De rechtbank verwijst naar relevante wetgeving, zoals de Vreemdelingenwet 2000, en eerdere uitspraken van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een prominent lid is van de Tamil Eelam-beweging of dat hij een substantiële bijdrage levert aan een georganiseerd separatistisch streven. De rechtbank wijst het beroep af en stelt dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24361

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser heeft op 5 juni 2023 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening (NL25.24362) op 11 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister
.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
.Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit om zijn aanvraag kennelijk ongegrond te verklaren in stand blijft.
Procesverloop
Eerdere asielaanvragen
3. De rechtbank stelt vast dat eiser vijf keer eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Het meest recente afwijzende besluit van 12 april 2019 is in rechte vast komen te staan door de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2019. [1]
Huidige procedure
4. Eiser legt aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka gevaar loopt. Eiser is aanhanger van de Tamil Eelam-beweging. Eiser heeft in dat verband deelgenomen aan meerdere demonstraties in Nederland waarvan foto’s zijn genomen. Bij terugkeer naar Sri Lanka vreest eiser om die reden voor vervolging omdat de autoriteiten in Sri Lanka door de foto’s op de hoogte zullen zijn van de politieke activiteiten van eiser in Nederland. Eiser staat door zijn deelname aan demonstraties in de negatieve belangstelling van de autoriteiten in Sri Lanka.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister één relevant element: de deelname van eiser aan demonstraties in Nederland
5.1.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de deelname van eiser aan demonstraties in Nederland geloofwaardig is. Hieruit blijkt echter niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Sri Lanka. Die vrees acht de minister niet aannemelijk. Daarbij acht de minister van belang dat eiser zijn asielmotief eerder naar voren had kunnen brengen. Ook zijn er geen aanwijzingen dat oud Liberation Tigers of Tamil Eelam-leden (LTTE) worden vervolgd in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Verder is niet gebleken dat de monitoring door de Sri Lankaanse autoriteiten zo ernstig of ingrijpend is dat dit in het specifieke geval van eiser leidt tot een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Sri Lanka in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
Omvang van het geschil
6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser nieuwe elementen of bevindingen heeft aangevoerd die maken dat zijn aanvraag inhoudelijk wordt beoordeeld. Ook is niet in geschil dat eiser een politieke overtuiging heeft en op grond daarvan heeft deelgenomen aan verschillende demonstraties in Nederland. Wel in geschil is het antwoord op de vraag of eiser een gegronde vrees heeft om te worden vervolgd wegens zijn politieke overtuiging.
Toetsingskader
7. In artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) staat dat een verblijfsvergunning asiel wordt verleend aan een vreemdeling die verdragsvluchteling is of die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, volgt dat een aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag gegrond is op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
8. Uit het arrest van het Hof van Justitie van 13 september 2023 (arrest S en A) volgt dat de term politieke overtuiging ruim moet worden opgevat. De sterkte van de politieke overtuiging die de vreemdeling stelt te hebben en verrichte activiteiten om die overtuiging te uiten zijn relevante elementen voor de beoordeling van de gegronde vrees voor vervolging wegens de politieke overtuiging. [2] Evenals het feit dat die overtuiging de negatieve belangstelling van potentiële actoren van vervolging in het land van herkomst van eiser heeft gewekt of kan wekken. [3] In aanvulling daarop betrekt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij het oordeel van de zwaarwegendheid ook of en, zo ja, hoe de vreemdeling in zijn land van herkomst uiting wenst te gaan geven aan zijn politieke overtuiging en wat de gevolgen daarvan zijn. [4]
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten in Sri Lanka?
9. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka gevaar loopt, omdat hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. In dit kader voert eiser het volgende aan.. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit blijkt dat de man van de nicht van eiser niet tot de directe familiekring van eiser behoort. Vanwege die verwantschap bestaat namelijk het risico dat eiser bij terugkeer geassocieerd zal worden met het vermeende politieke of militaire verleden van de man van de nicht van eiser. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het ontbreken van de naam van de man van de nicht van eiser, op de Gazette van 20 februari 2025, betekent dat eiser niet langer wordt verdacht door de Sri Lankaanse autoriteiten van betrokkenheid bij terrorisme. Hiermee wordt de veiligheidssituatie van eiser gebagatelliseerd.
9.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de autoriteiten in Sri Lanka Eiser heeft in dit kader niet aannemelijk gemaakt dat zijn familieleden in de negatieve belangstelling van de autoriteiten in Sri Lanka staan. Ten aanzien van de man van de nicht van eiser stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tot de familie van eiser behoort. Eiser heeft ook niet op een andere manier aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat. Eiser wijst weliswaar terecht op het feit dat uit het thematisch ambtsbericht volgt dat ook personen die zich openlijk hebben uitgelaten voor een onafhankelijk Tamil Eelam onder verhoogde aandacht kunnen staan van de Sri Lankaanse autoriteiten. [5] Echter, voor die verhoogde aandacht moeten de Sri Lankaanse autoriteiten wel op de hoogte te zijn van die activiteit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser dat niet aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser een gegronde vrees om te worden vervolgd voor zijn politieke overtuiging?
10. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka het risico loopt om te worden vervolgd. In dit kader voert eiser het volgende aan. De gestelde vrees wordt door de minister ten onrechte niet aannemelijk geacht, mede omdat eiser deze gestelde vrees niet eerder naar voren heeft gebracht. Dit is door eiser betwist in de zienswijze. Eiser betoogt dat de minister hier ten onrechte niet op in gaat in het bestreden besluit. Dit levert volgens eiser een motiveringsgebrek op. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit volgt dat voormalig LTTE-leden en hun gezinsleden geen gevaar lopen. Volgens eiser is sprake van een eenzijdige en onvolledige weergave van de situatie omdat de minister zich bij het door hem gevormde oordeel slechts focust op passages uit het thematisch ambtsbericht die zijn standpunt ondersteunen. Eiser betoogt dat het verrichten van organisatorische activiteiten niet is vereist om een gegronde vrees te hebben voor vervolging door de Sri Lankaanse autoriteiten. Hierbij verwijst eiser naar pagina’s 57, 59 en 60 van het thematisch ambtsbericht, waaruit blijkt dat Tamils, van wie de activiteiten als oppositioneel konden worden beschouwd, in de gaten werden gehouden.
10.1
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser bij terugkeer geen gegronde vrees heeft om te worden vervolgd voor zijn politieke overtuiging. Zoals deze rechtbank eerder heeft geoordeeld, blijkt uit het thematisch ambtsbericht dat Tamils die zich actief inzetten tegen militarisering of voor herdenkingen van de burgeroorlog of LTTE-symbolen uiten in de gaten kunnen worden gehouden en kunnen worden gearresteerd. [6] Er zijn ook gevallen waarin Tamils, vaak voor korte tijd, zijn gedetineerd. [7] Deze arrestaties, op grond van de PTA, hebben echter niet geleid tot een formele aanklacht. Gedurende de verslagperiode hebben er geen daadwerkelijke veroordelingen plaatsgevonden op grond van de PTA. [8] Uit deze berichten blijkt bovendien dat deze personen niet zijn opgepakt omdat ze streven naar Tamil Eelam maar vanwege het promoten van LTTE. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat niet wordt ontkend dat het dragen van symbolen die verwijzen naar de LTTE kan leiden tot een arrestatie in Sri Lanka, maar acht het niet aannemelijk dat dit bij eiser zal gebeuren gezien zijn geringe activiteiten in Nederland. De rechtbank volgt de conclusie van de minister dat de Sri Lankaanse autoriteiten zich richten op prominente figuren bij verboden organisaties en niet op eiser, gelet op dat wat hierover blijkt uit het thematisch ambtsbericht. [9] Hierbij is het van belang dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij prominent lid is van de Tamil Eelam-beweging of dat hij prominent politiek actief is. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 juni 2025, leidt dit tot de conclusie dat het daarom niet aannemelijk is dat eiser zal worden beschouwd als iemand die een substantiële bijdrage levert aan een georganiseerd separatistisch streven naar een onafhankelijke Tamil-staat. [10] De rechtbank oordeelt dan ook dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat juist hij een risico loopt om te worden vervolgd. De rechtbank oordeelt verder dat de minister zich in dit kader ook terecht op het standpunt stelt dat de verwijzingen van eiser naar pagina 59 en 60 van het thematisch ambtsbericht geen doel treffen, aangezien eiser zelf heeft verklaard niet actief te zijn op sociale media. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd dan ook geen reden om aan te nemen dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister de asielaanvraag van eiser terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.NL19.9005
2.Hof van Justitie EU, 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688, r.o. 37.
3.Hof van Justitie EU, 21 september 2023, ECLI:EU:C:2023:688, r.o. 46-49.
4.ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:63, r.o. 5 en 11.
5.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka, p. 70.
6.Rb Den Haag, zp Arnhem 26 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11334.
7.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka, juni 2024, p. 56-57.
8.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka, juni 2024, p. 32-33.
9.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka, juni 2024, p. 68 – 69.
10.Rb Den Haag, zp Arnhem, 26 juni 2025 ECLI:NL:RBDHA:2025:11334.