ECLI:NL:RBDHA:2025:18085
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit wegens beëindiging tijdelijke bescherming
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om zijn beroep tegen het terugkeerbesluit af te wachten en zijn verblijfsrechten te behouden. Het terugkeerbesluit is opgelegd omdat verzoeker sinds 4 maart 2024 geen rechtmatig verblijf meer heeft, na beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming. De voorzieningenrechter oordeelt dat het terugkeerbesluit niet prematuur is genomen, omdat de tijdelijke bescherming formeel is geëindigd en de bevriezingsmaatregel slechts een gedoogperiode bood.
Verzoeker stelde dat het besluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en dat er geen recente refoulementbeoordeling is gemaakt. De voorzieningenrechter vindt dat verzoeker onvoldoende concreet heeft gemaakt hoe zijn privéleven in Nederland wordt geraakt en dat geen zwaarwegende gronden zijn gebleken voor een reëel risico op ernstige mensenrechtenschendingen bij terugkeer.
Gelet op deze overwegingen en de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, concludeert de voorzieningenrechter dat het verzoek tot voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en wijst dit af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen.