ECLI:NL:RBDHA:2025:18150
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking en onvoldoende onderbouwing lichter middel
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het besluit van 9 september 2025 waarbij een maatregel van bewaring werd opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn relatie in Nederland en dat de uitzetting onvoldoende voortvarend werd uitgevoerd.
De rechtbank oordeelde dat de zware en lichte gronden voor de bewaring, waaronder het niet beschikken over identificatie, herhaald vertrek met onbekende bestemming, weigering tot vertrek uit Nederland en fysiek verzet tegen uitzettingspogingen, voldoende en deugdelijk waren gemotiveerd. De enkele stelling van een vriendin in Nederland werd onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd om een ander oordeel te rechtvaardigen.
Verder bleek uit het dossier dat de uitzettingsautoriteiten een geldige laissez-passer bezitten en dat na herhaalde fysieke verzettingen door de vreemdeling passende maatregelen, waaronder het aanvragen van een vlucht met escorts, zijn genomen. De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit op grond van Europese jurisprudentie en concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was en dat geen belemmeringen bestonden op grond van non-refoulement of het belang van het gezinsleven. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.