ECLI:NL:RBDHA:2025:18214
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
De zaak betreft het beroep van een Oekraïense derdelander tegen het terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin is vastgesteld dat zijn tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en hij Nederland binnen vier weken moet verlaten.
De rechtbank overweegt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming rechtmatig is, zoals eerder bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie. De minister was bevoegd het terugkeerbesluit te nemen op 4 april 2024. Het beroep van eiser dat het besluit prematuur is en in strijd met rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel is, wordt verworpen. De rechtbank acht de bevriezingsmaatregel geen impliciete toezegging en wijst het beroep op artikel 5 van Pro Richtlijn 2008/115/EG en artikel 8 EVRM Pro af.
De voorlopige voorziening die eiser eerder verkreeg, heeft zijn verblijf na 4 maart 2024 mogelijk gemaakt, maar dit verandert niets aan de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft in stand.