ECLI:NL:RBDHA:2025:18278
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming vreemdeling
Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van een Turkmeense vreemdeling tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. De minister had aan eiser facultatieve tijdelijke bescherming verleend, die op 4 maart 2024 is geëindigd. Op 26 augustus 2025 heeft de minister een terugkeerbesluit genomen, nadat een bevriezingsmaatregel was opgeheven.
Eiser stelde dat het terugkeerbesluit prematuur was en dat de brief van 16 juli 2025 onduidelijkheid schepte over de status van het besluit. De rechtbank oordeelde dat de brief slechts een voornemen betrof en dat het daadwerkelijke besluit op 26 augustus 2025 is genomen. De verwarring was begrijpelijk, maar het beroep werd inhoudelijk behandeld.
Verder voerde eiser aan dat hij werk en een partner in Nederland heeft en dat het terugkeerbesluit zijn recht op familieleven onevenredig zou schaden. De rechtbank stelde vast dat eiser geen zienswijze had ingediend en onvoldoende onderbouwing had gegeven voor een zwaarwegend belang om van het terugkeerbesluit af te wijken.
De rechtbank concludeerde dat het terugkeerbesluit rechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en griffier V. Vegter en is gepubliceerd op 3 oktober 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.