Eiseres, van Iraanse nationaliteit, diende op 23 oktober 2020 een asielaanvraag in die aanvankelijk niet in behandeling werd genomen vanwege de Dublin-verantwoordelijkheid van Duitsland. Na het verlopen van de overdrachtstermijn werd de aanvraag op 5 maart 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres stelde beroep in tegen deze afwijzing.
De minister nam op 10 juni 2025 een aanvullende beschikking waarin de gestelde bekering tot het christendom werd beoordeeld en niet geloofwaardig werd geacht. De rechtbank oordeelt dat de bestreden besluiten onvoldoende zijn gemotiveerd, met name omdat de minister niet adequaat heeft beoordeeld of eiseres in Iran problemen zal ondervinden door toegedichte bekering. Desondanks laat de rechtbank de rechtsgevolgen van de besluiten in stand.
De rechtbank behandelt ook andere beroepsgronden, zoals de afvalligheid van eiseres, de relatie met haar halfbroer, en de geloofwaardigheid van haar verklaringen. Deze gronden worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing of overtuiging. De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van eiseres ter hoogte van €1.814,00.