ECLI:NL:RBDHA:2025:18827
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening toewijzing uitstel van vertrek en opvangvoorzieningen op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Na vernietiging van het eerdere besluit door de rechtbank en opdracht aan verweerder om opnieuw te beslissen, verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om in afwachting van de nieuwe beslissing in Nederland te mogen verblijven met behoud van opvangvoorzieningen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een voldoende spoedeisend belang, mede vanwege de ernstige medische klachten van verzoeker die levensbedreigend kunnen zijn zonder behandeling. Tevens is niet aannemelijk dat verweerder verzoeker daadwerkelijk zal uitzetten voordat op het bezwaar is beslist.
Daarom weegt het belang van verzoeker om zijn bezwaar in Nederland af te wachten en medische zorg te ontvangen zwaarder dan het belang van verweerder om uitzetting te effectueren. De voorlopige voorziening wordt daarom toegekend, waarbij verzoeker wordt behandeld alsof artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet op hem van toepassing is.
Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €907, en wordt verzoeker vrijgesteld van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en verzoeker behoudt het recht op opvangvoorzieningen gedurende de bezwaarprocedure.