Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
2 augustus 2022 heeft de minister verzocht eiser op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening over te nemen. De Portugese autoriteiten zijn op 15 september 2022 met dit verzoek akkoord gegaan. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening, dient de minister eiser uiterlijk binnen zes maanden over te dragen aan de Portugese autoriteiten. Naar aanleiding hiervan heeft de minister de asielaanvraag van eiser bij besluit van 13 januari 2023 niet in behandeling genomen. Eiser had uiterlijk op 15 maart 2023 aan de Portugese autoriteiten moeten worden overgedragen. Uit het dossier blijkt dat eiser niet tijdig is overgedragen. De rechtbank stelt vast dat de minister per 16 maart 2023 verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser. De rechtbank stelt verder vast dat eiser op 17 maart 2023 een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend.
15 september 2022 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de aanvraag van eiser en is de overdrachtstermijn van zes maanden aangevangen. Deze termijn is geëindigd op 15 maart 2023. Omdat eiser niet op tijd is overgedragen aan de Portugese autoriteiten, is Nederland op 16 maart 2023 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.