Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig (opnieuw) beslissen op zijn asielaanvraag van 1 december 2022. Op het moment van ingebrekestelling op 20 mei 2025 was een besluit- en vertrekmoratorium van kracht voor vreemdelingen uit Syrië, waaronder eiser valt. Desondanks was de procedure al langer dan 21 maanden aanhangig.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen, conform het ‘8+8 wekenmodel’ zoals vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten, omdat partijen geen zitting wensten. De uitspraak is gepubliceerd en partijen kunnen binnen vier weken in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Deze uitspraak benadrukt het belang van tijdige besluitvorming in asielprocedures en stelt duidelijke termijnen en sancties vast om de minister aan te sporen tot spoedige afhandeling.