Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een minderjarige van Iraakse nationaliteit en behorend tot de Jezidi-gemeenschap, diende op 19 maart 2024 een asielaanvraag in. Hij stelde dat hij in Irak vanwege zijn etniciteit en religie werd gediscrimineerd en vreest bij terugkeer vervolging en ernstige schade.
De minister wees de aanvraag op 29 april 2025 af wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging en het bestaan van adequate opvang in Irak, mede gelet op de aanwezigheid van zijn ouders in een vluchtelingenkamp. Eiser voerde aan dat het beleid onrechtmatig was gewijzigd, dat zijn individuele omstandigheden onvoldoende waren beoordeeld en dat het belang van het kind niet adequaat was meegewogen.
De rechtbank oordeelt dat de minister het beleid correct heeft toegepast, de omstandigheden van eiser in samenhang heeft beoordeeld en dat de opvang in Irak adequaat is. Ook is geen schending van artikel 8 EVRM Pro vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en verklaart de asielaanvraag ongegrond wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging en het bestaan van adequate opvang in Irak.