ECLI:NL:RBDHA:2025:19486
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over procesbelang na vertrek asielzoeker met onbekende bestemming
Eiser, een asielzoeker uit Bosnië en Herzegovina, heeft op 17 september 2021 een asielaanvraag ingediend die op 6 september 2024 is afgewezen met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar. Eiser vertrok op 9 oktober 2025 met onbekende bestemming, waarna de rechtbank onderzocht of hij nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
De rechtbank bevestigt vaste jurisprudentie dat vertrek zonder mededeling impliceert dat eiser geen internationale bescherming meer wenst, tenzij hij nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. De gemachtigde verklaarde dat hij recent geen contact met eiser kon krijgen, ondanks pogingen via e-mail en Vluchtelingenwerk.
De rechtbank bespreekt de Unierechtelijke aspecten, waaronder de verplichtingen uit richtlijn 2008/115 en het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel. Zij concludeert dat het nationale procesrecht, dat het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren wegens gebrek aan belang na een MOB-melding, verenigbaar is met Unierecht.
Verder overweegt de rechtbank dat het terugkeerbesluit aanzienlijke gevolgen heeft en dat zij ook moet toetsen of het terugkeerbesluit verenigbaar is met Unierechtelijke bescherming. De rechtbank wijst verweerder erop de factuur van de iMMO-rapportage te voldoen of dit te motiveren.
De rechtbank doet een tussenuitspraak en stelt partijen in de gelegenheid binnen zes weken schriftelijk standpunten in te nemen over het procesbelang. De verdere beslissing wordt aangehouden totdat duidelijkheid is over het contact tussen eiser en zijn gemachtigde.
Uitkomst: De rechtbank houdt de verdere beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid schriftelijk standpunten in te nemen over het procesbelang na vertrek met onbekende bestemming.