ECLI:NL:RVS:2018:961
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beëindiging schuldhulpverlening en procesbelang bij schadevergoeding
Het college van burgemeester en wethouders van Venlo heeft op 8 juli 2015 de schuldhulpverlening aan appellant beëindigd, omdat appellant een betalingsregeling met zijn enige schuldeiser had getroffen en daardoor niet langer een problematische schuldensituatie had. Appellant stelde dat hij schade had geleden door het handelen van het college tijdens het schuldhulpverleningstraject en vorderde vergoeding daarvan.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de gestelde schade niet direct het gevolg was van het besluit tot beëindiging van de schuldhulpverlening. Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel belang had bij inhoudelijke beoordeling van het besluit om zijn schade te verhalen.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de bestuursrechter alleen rechtsvragen mag beoordelen als dit van belang is voor het geschil over het bestreden besluit. De schade die appellant stelt te hebben geleden, is niet het gevolg van het besluit tot beëindiging van de schuldhulpverlening, maar van de wijze waarop het college de uitvoering van de schuldhulpverlening heeft overgedragen aan een commercieel bedrijf. Vernietiging van het besluit kan deze schade niet verhelpen.
Daarom is het beroep ongegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellant is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.