ECLI:NL:RBDHA:2025:19526
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor gezinslid zonder bijkomende afhankelijkheid
Eiseres, woonachtig in Sudan, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf om bij haar dochter in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat er geen sprake was van een beschermingswaardig gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro, mede vanwege het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter.
De rechtbank bevestigt dat hoewel de familierechtelijke relatie niet langer werd betwist, eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie die de gebruikelijke banden overstijgt. Telefonisch contact en hulp bij zorgtaken werden onvoldoende geacht om een beschermingswaardig gezinsleven aan te nemen.
Ook werd geoordeeld dat er geen hechte persoonlijke banden zijn tussen eiseres en haar kleinkinderen, mede omdat zij elkaar nooit persoonlijk hebben ontmoet. De oorlogssituatie in Sudan werd niet betrokken bij de beoordeling van afhankelijkheid omdat dit asielgerelateerd is.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de minister de afwijzing van de aanvraag mocht handhaven. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.