De minister heeft op 24 april 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, welke nog voortduurt. De rechtbank heeft deze maatregel reeds meerdere malen getoetst en beoordeelt nu alleen de rechtmatigheid van het voortduren sinds 8 september 2025.
Eiser stelt dat de voortzetting van de bewaring voor hem onevenredig bezwarend is vanwege medische klachten die verergeren door detentie en wijst op een schending van de onderzoeksplicht door de minister. De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn medische toestand zodanig is dat de maatregel onrechtmatig is. Het medisch dossier toont aan dat eiser regelmatig medische zorg ontvangt en medicatie krijgt.
Eiser betoogt verder dat de verzwaarde belangenafweging ondeugdelijk is omdat zijn medische situatie niet is meegenomen. De rechtbank constateert een gebrek in de belangenafweging, maar acht dit niet benadelend voor eiser omdat de medische situatie geen aanleiding geeft tot opheffing van de maatregel.
Ambtshalve toetsing leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, maar vanwege het gebrek wordt een proceskostenvergoeding van €907 toegekend aan eiser. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.