AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste toetsing familie- of gezinsleven
Eiser, van Soedanese nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid van zijn broer (referent). De minister wees deze aanvraag af omdat volgens haar geen sprake was van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen hen. De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met relevante feiten en omstandigheden van vóór de aanvraag, zoals het vluchtverhaal van referent als minderjarige en het overlijden van hun ouders.
De rechtbank stelt dat het peilmoment voor de beoordeling het moment van het besluit is en dat de minister onterecht het moment van de aanvraag als peilmoment hanteerde. Ook heeft de minister een onjuist toetsingskader toegepast door te stellen dat eiser en referent zonder elkaar kunnen functioneren, een criterium dat niet uit de jurisprudentie van het EHRM volgt.
De rechtbank benadrukt dat er sprake is van een sterke emotionele band en een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, mede door de traumatische ervaringen van vlucht en verlies van familieleden. De minister heeft dit onvoldoende betrokken bij haar beoordeling. Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en wordt de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de juiste toetsingscriteria.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister krijgt acht weken om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de juiste toetsingscriteria.
Voetnoten
1.Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL22.10675.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.De rechtbank verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025, rechtsoverweging 9.7, 9.8 en 9.9, ECLI:NL:RBDHA:2025:9087. 8.In de beroepsgronden van 28 augustus 2023.
9.C-279/20, ECLI:EU:C:2022:618.
10.Hof van Justitie van de Europese Unie.
11.Zie aanvullende beroepsgronden van 8 juni 2025.
12.De uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025, rechtsoverweging 9.2, ECLI:NL:RBDHA:2025:9087 13.Europees Hof voor de rechten van de mens.
14.Zie bijvoorbeeld het arrest van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.
15.Arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
16.Arrest van 19 november 2014, Senchishak tegen Zwitserland, app.no. 5049/12.
17.Arrest van 20 september 2011, A.A. tegen Verenigd Koninkrijk, app.no. 8000/08.
18.Arrest van 10 oktober 1994, Gül tegen Zwitserland, app.no. 23218/94.
19.Beslissing van 28 juni 1995, Jankovic tegen Oostenrijk, app.no. 25777/94.
20.Arrest van 7 november 2000, Kwakye-Nti en Dufie tegen Nederland, app.no. 31519/96.
21.Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:6662, rechtsoverweging 4.2.2. 22.Arrest van het EHRM, K. tegen Zweden, van 10 september 1992 in de zaak K tegen Zweden, 20470/92.