ECLI:NL:RBDHA:2025:19828
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zijn echtgenoot en minderjarige kinderen. De rechtbank had eerder op 24 oktober 2024 het eerste beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Ondanks deze uitspraak heeft de minister geen besluit genomen binnen de gestelde termijn en ook geen mededeling gedaan over nader onderzoek. Eiser stelde daarop een tweede beroep in op 17 maart 2025. De rechtbank verklaart dit beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond, omdat de minister wederom niet tijdig heeft beslist.
De minister verzocht om een nadere beslistermijn van zestien weken vanwege herstel van verzuim en voorgenomen DNA-onderzoek, maar de rechtbank wijst dit af en legt een nieuwe beslistermijn van twee weken op. Tevens wordt de dwangsom verhoogd naar € 200 per dag met een maximum van € 15.000 vanwege onvoldoende prikkelwerking van de eerdere dwangsom.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter W.H. Bel op 29 oktober 2025.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken een besluit te nemen, met oplegging van een verhoogde dwangsom.