ECLI:NL:RBDHA:2025:19828

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
29 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.12513
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zijn echtgenoot en minderjarige kinderen. De rechtbank had eerder op 24 oktober 2024 het eerste beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.

Ondanks deze uitspraak heeft de minister geen besluit genomen binnen de gestelde termijn en ook geen mededeling gedaan over nader onderzoek. Eiser stelde daarop een tweede beroep in op 17 maart 2025. De rechtbank verklaart dit beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond, omdat de minister wederom niet tijdig heeft beslist.

De minister verzocht om een nadere beslistermijn van zestien weken vanwege herstel van verzuim en voorgenomen DNA-onderzoek, maar de rechtbank wijst dit af en legt een nieuwe beslistermijn van twee weken op. Tevens wordt de dwangsom verhoogd naar € 200 per dag met een maximum van € 15.000 vanwege onvoldoende prikkelwerking van de eerdere dwangsom.

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter W.H. Bel op 29 oktober 2025.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken een besluit te nemen, met oplegging van een verhoogde dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.12513

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Eiser heeft op 16 mei 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor zijn echtgenoot en minderjarige kinderen.
Bij uitspraak van 24 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17466, heeft deze rechtbank en zittingsplaats dit beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan eiser schriftelijk is meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt.
Op 17 maart 2025 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
2. In de uitspraak van 24 oktober 2024, bekendgemaakt op 25 oktober 2024, heeft de rechtbank het eerste beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan eiser schriftelijk is meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500.
3. Eiser heeft het tweede beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag ingesteld op 17 maart 2025. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvraag. Verweerder heeft evenmin binnen de termijn van acht weken na 25 oktober 2024 aan eiser meegedeeld dat nader onderzoek zal plaatsvinden. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.
4. Verweerder verzoekt de rechtbank in het verweerschrift van 3 juli 2025 om een nadere beslistermijn van zestien weken op te leggen, omdat er bij brieven van 31 maart en 13 mei 2025 herstel verzuim is geboden en verweerder voornemens is om nader onderzoek te verrichten, mogelijk in de vorm van DNA-onderzoek. Voor zover de rechtbank voornemens zou zijn om een rechterlijke dwangsom op te leggen, verzoekt verweerder de dwangsom te bepalen op € 100 per dag met een maximum van € 7.500.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. De rechtbank heeft in haar eerste uitspraak op het beroep al een redelijke nadere beslistermijn gesteld. Daar komt bij dat sinds het vollopen van de rechterlijke dwangsom die in de uitspraak van 24 oktober 2024 is bepaald, én sinds het verweerschrift van 3 juli 2025, wederom geruime tijd is verstreken en verweerder nog geen besluit op de aanvraag heeft genomen. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
6. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 200 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt in dit verband op dat uit de eerder aan verweerder opgelegde dwangsom vooralsnog een onvoldoende prikkel is gebleken, nu een besluit op de aanvraag is uitgebleven. De in het verweerschrift genoemde omstandigheden dat bij verweerder geen sprake is van onwil om te beslissen, maar van ‘algemeen bekende capaciteitsproblemen’, en dat er inmiddels een behandelaar aan de zaak is toegewezen, maakt niet dat er niet langer noodzaak bestaat om een sterkere prikkel af te geven. Temeer daar, zoals hiervoor al is overwogen, sinds het verweerschrift geruime tijd is verstreken zonder dat er alsnog een besluit is genomen.
7. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, en om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 moet vergoeden. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
 bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50 (vierhonderddrieënvijftig euro en vijftig cent);
 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 29 oktober 2025 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.