ECLI:NL:RBDHA:2025:19860
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Bulgarije volgens Dublinverordening
Eiser, een Jordaanse nationaliteit houdende asielzoeker, diende op 26 januari 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder stelde dat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat een tijdig overnameverzoek aan Bulgarije was gedaan. Eiser betwistte dit en voerde aan dat het verzoek niet tijdig was en dat Nederland verantwoordelijk zou moeten zijn, mede vanwege de situatie van zijn minderjarige kinderen.
De rechtbank oordeelde dat het overnameverzoek binnen de toegestane termijn van drie maanden was gedaan, aangezien het hier een registratie in EU-Vis betrof en niet in Eurodac, waardoor de kortere termijn van twee maanden niet van toepassing is. Daarnaast kon eiser niet aannemelijk maken dat zijn kinderen internationale bescherming genieten in de zin van artikel 9 van Pro de Dublinverordening, omdat zij volgens verweerder een afgeleide asielvergunning hebben.
Verder stelde eiser dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije niet meer geldt vanwege slechte opvangomstandigheden en risico's op schending van mensenrechten. De rechtbank vond echter dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen had gegeven om hiervan uit te gaan en verwees naar eerdere jurisprudentie die het vertrouwensbeginsel bevestigt.
Ten slotte concludeerde de rechtbank dat verweerder de belangen van de kinderen voldoende heeft meegewogen en dat eiser geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.