Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:1080

Raad van State

Datum uitspraak
14 maart 2025
Publicatiedatum
14 maart 2025
Zaaknummer
202500261/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet in behandeling nemen aanvraag verblijfsvergunning asiel

De minister van Asiel en Migratie nam op 22 november 2024 een besluit om de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De rechtbank Den Haag stelde de minister in een tussenuitspraak van 23 december 2024 in de gelegenheid om het besluit te herstellen, maar de minister maakte hiervan geen gebruik. Op 9 januari 2025 vernietigde de rechtbank het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het AIDA-rapport en aanvullende stukken onvoldoende concreet waren om te concluderen dat het rechtsmiddel tegen de weigering van opvangvoorzieningen niet effectief is. De minister stelde dat de rechtbank dit niet had onderkend.

De Afdeling concludeerde dat de door de vreemdeling overgelegde stukken niet tot een ander oordeel leiden en dat het rechtsmiddel tegen de weigering van opvangvoorzieningen niet als niet effectief kan worden beschouwd. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde zij het oordeel van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen blijft vernietigd.

Uitspraak

202500261/1/V3.
Datum uitspraak: 14 maart 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 december 2024, en haar uitspraak van 9 januari 2025 in zaak nr. NL24.47452 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij tussenuitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij brief van 7 januari 2025 heeft de minister kenbaar gemaakt van deze gelegenheid geen gebruik te zullen maken.
Bij uitspraak van 9 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 november 2024 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. de Schutter, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, volgt uit het onder 1 genoemde AIDA-rapport, meer in het bijzonder uit pagina 79, dat er een rechtsmiddel openstaat tegen de weigering van opvangvoorzieningen. De minister betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de informatie in dat
AIDA-rapport, zonder nadere concretisering, te summier is voor de conclusie dat dit rechtsmiddel niet effectief is. De theoretische mogelijkheid dat een gerechtelijke procedure kan worden stopgezet, omdat de vreemdeling niet kan bewijzen dat aan hem mondeling de toegang tot opvang is geweigerd, is daarvoor naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende.
De door de vreemdeling in hoger beroep overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. Uit het "Legal statement on the guarantees of the rights and the risk of human or degrading treatment of vulnerable refugee status holders or asylum seekers returned to Bulgaria" van het Center for Legal Aid Voice in Bulgaria, van 24 december 2024, volgt dat de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten niet gegarandeerd is. Uit de e-mailwisseling tussen VluchtelingenWerk Nederland en het Center for Legal Aid Voice in Bulgaria, van 29 januari 2025, volgt verder dat er geen gevallen bekend zijn waarin een rechtsmiddel is ingesteld tegen een mondelinge weigering van opvangvoorzieningen. Uit de e-mail van het Center for Legal Aid Voice in Bulgaria, van 30 januari 2025, volgt tot slot dat de State Agency for Refugees heeft bevestigd dat er geen rechtszaken aanhangig worden gemaakt tegen de weigering van opvang in Bulgarije. Hoewel deze stukken informatie bevatten over de toegang tot opvangvoorzieningen en het aantal rechtszaken over de weigering daarvan, volgt hieruit niet dat een rechtsmiddel tegen de weigering van opvang niet effectief is.
1.2.    De grief slaagt.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Trappen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2025
347-1017