Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet tijdig heeft beslist op haar asielaanvraag van 9 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiseres gestelde termijn van twee weken alsnog heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt het ‘8+8 wekenmodel’ toegepast, waarbij de minister een nieuwe beslistermijn krijgt. Omdat de maximale termijn van 21 maanden wordt overschreden, legt de rechtbank een kortere termijn op: uiterlijk 3 februari 2026 moet de minister een besluit nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de minister na deze termijn niet beslist, met een maximum van €15.000. De rechtbank overweegt dat deze termijn zorgvuldig en haalbaar is. Tevens veroordeelt zij de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €453,50.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiseres krijgt hiermee gelijk en de minister wordt verplicht binnen de gestelde termijn te beslissen, onder dreiging van een dwangsom.