ECLI:NL:RBDHA:2025:19996

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2025
Publicatiedatum
30 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.51085
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 59b VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens te late omzetting voorgaande maatregel

Eiser, een vreemdeling met de Sierra Leoonse nationaliteit, betwistte de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring die op 20 oktober 2025 aan hem was opgelegd. Hij stelde dat de voorgaande maatregel van bewaring onrechtmatig was omdat deze te laat was omgezet naar de huidige maatregel, waardoor ook de huidige maatregel onrechtmatig zou zijn.

De rechtbank stelde vast dat de voorgaande maatregel slechts één dag onrechtmatig heeft voortgeduurd en dat deze op 20 oktober 2025 werd opgeheven waarna direct de nieuwe maatregel werd opgelegd. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie EU volgt dat een onrechtmatige voorgaande maatregel niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van een aansluitende maatregel, tenzij sprake is van kwade trouw of misleiding, wat hier niet werd vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat de belangen van de overheid om eiser in bewaring te houden zwaarder wegen dan het belang van eiser in vrijheid gezien het significante onttrekkingsgevaar. Ook werd vastgesteld dat de overschrijding waarschijnlijk het gevolg was van een asielaanvraag op vrijdag, waarna de maatregel op maandag direct werd omgezet.

Verder concludeerde de rechtbank dat er geen sprake was van een ernstige schending van het fundamentele recht op vrijheid die de huidige maatregel onrechtmatig zou maken. Eiser betwistte de gronden van de maatregel niet, die feitelijk juist en voldoende toegelicht waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51085

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 22 oktober 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 23 oktober 2025 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft op 30 oktober 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben.
2. Eiser stelt dat de voorgaande maatregel van bewaring onrechtmatig was. Hij wijst erop dat deze is omgezet naar de huidige maatregel, wat maakt dat deze ook onrechtmatig geacht dient te worden. Hij beroept zich op de tussenuitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 4 juni 2024 [2] waarbij is geoordeeld dat niet hoeft vast te staan dat bij de oplegging zeer grote fouten zijn gemaakt om te kunnen concluderen dat sprake is van onrechtmatigheid.
3. De rechtbank stelt vast dat aan eiser een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is opgelegd op 16 oktober 2025, De rechtbank heeft geoordeeld dat deze maatregel sinds 20 oktober 2025 onrechtmatig is geworden en daarmee één dag onrechtmatig heeft voortgeduurd. [3] Deze maatregel is opgeheven op 20 oktober 2025, waarna aansluitend de onderhavige maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b en onder c, van de Vw opgelegd.
4. Uit het arrest Bouskoura van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 volgt dat indien de onrechtmatigheid van een maatregel is vastgesteld, dit niet reeds hierom inhoudt dat een direct aansluitende nieuwe maatregel ook onrechtmatig is, tenzij er sprake is van kwade trouw of misleiding van de zijde van het bestuursorgaan. [4]
5. Verweerder heeft in zijn brief van 23 oktober 2025 erkend dat de voorgaande maatregel te laat is omgezet en verzoekt de rechtbank daarbij om, in het geval dit wordt gezien als een gebrek, rekening te houden met de belangen van verweerder. De belangen van verweerder om eiser in bewaring te houden wegen zwaarder dan het belang van eiser in vrijheid te worden gesteld, gezien het significante onttrekkingsgevaar
6. Voor zover eiser al aanvoert dat er sprake is van kwade trouw, wordt eiser daarin niet gevolgd. Daarbij acht de rechtbank van belang dat het om een relatief korte overschrijding van de termijn gaat en dat uit de toelichting van verweerder is gebleken dat de overschrijding waarschijnlijk veroorzaakt is omdat de asielaanvraag op een vrijdag is gedaan. De maandag daarop is de maatregel direct omgezet.
7. Vervolgens ziet de rechtbank zich geplaatst voor de vraag of sprake is van een andere zodanig ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld zodra de vrijheidsbeneming onrechtmatig is geworden, dat dit om die reden moet leiden tot onrechtmatigheid van de huidige maatregel. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [5] volgt dat als uitgangspunt geldt dat een gebrek in de eerste maatregel van bewaring de daaropvolgende maatregel niet alleen daarom van het begin af onrechtmatig maakt. Op dit uitgangspunt moet een uitzondering worden gemaakt in geval van een ernstige schending van het fundamentele recht om in vrijheid te worden gesteld indien de bewaring onrechtmatig is. [6] Ook kan een opeenstapeling van ernstige gebreken waar zwaar gewicht aan toe moet worden gekend ertoe leiden dat een uitzondering op het uitgangspunt moet worden gemaakt. [7]
8. De rechtbank is onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2024 [8] van oordeel dat het te laat omzetten van de voorgaande maatregel van bewaring in de zaak van eiser geen ernstige schending oplevert van het recht om in vrijheid te worden gesteld wanneer de bewaring onrechtmatig is. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser voor korte duur – een dag – onrechtmatig in bewaring heeft gezeten. [9] Eiser heeft ook niet aangevoerd waarom, anders dan dat eiser enige tijd zonder rechtsgrond in bewaring heeft gezeten, afgeweken zou moeten worden van de schottentheorie of waarom er sprake is van een ernstige schending. Verder is niet gebleken van andere gebreken dan het gebrek dat eiser stelt, zodat van een openstapeling van gebreken evenmin sprake is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de onrechtmatige bewaring vanaf 20 oktober 2025 in dit geval niet doorwerkt naar de bewaringsmaatregel van 20 oktober 2025. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
10. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de te beoordelen periode op enig moment onrechtmatig was.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 30 oktober 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.NL25.50960.
4.ECLI:EU:C:2024:868.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Zie hiervoor ook de uitspraak van de Afdeling van 11 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3508.