Op 31 oktober 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak waarbij eiser, vertegenwoordigd door mr. J.J. Bronsveld, beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de uiterste termijn van 21 maanden, zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn, is overschreden. Hierdoor heeft de rechtbank verweerder opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag. Tevens is er een rechterlijke dwangsom van € 100 per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000, voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden. De rechtbank heeft ook de proceskosten van eiser vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie. De rechtbank heeft in haar overwegingen verwezen naar relevante wetgeving en eerdere uitspraken, en benadrukt dat indien de ingebrekestelling na 15 april 2025 is ingediend, er geen bestuurlijke dwangsom verschuldigd is. De uitspraak is een bevestiging van de noodzaak voor bestuursorganen om tijdig te beslissen op asielaanvragen, en de rechtbank heeft de rechtsgrond voor de verlenging van de beslistermijn als onvoldoende gemotiveerd beoordeeld.