Eiseres, een alleenstaande Somalische vrouw met twee minderjarige kinderen, diende op 22 maart 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor haar asielprocedure. De minister baseerde dit op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eerdere jurisprudentie die stelde dat België adequate opvang biedt.
Eiseres betwistte dit en verwees naar een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 juli 2025, waarin werd vastgesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België niet langer onverkort geldt vanwege structurele tekortkomingen in de opvang. Zij overhandigde ook een rapport van Amnesty International en e-mailcorrespondentie van Vluchtelingenwerk Vlaanderen waaruit blijkt dat opvang voor asielzoekers, waaronder kwetsbare groepen zoals vrouwen met kinderen, ernstig tekortschiet.
De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog van toepassing zou zijn. De eerdere uitspraak waarop de minister zich baseerde was door de Afdeling teruggenomen. De rechtbank stelde dat de minister in een nieuw besluit rekening moet houden met de opvangproblematiek en de rechten van kinderen zoals neergelegd in het Europees Sociaal Handvest.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 2.721,- aan eiseres.