Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 21 september 2024 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Uit Eurodac-gegevens bleek dat eiser op 3 maart 2023 al in Kroatië internationale bescherming had gevraagd. Nederland stuurde daarop een verzoek tot terugname aan Kroatië, dat dit op 18 oktober 2024 accepteerde.
Eiser stelde dat het overdrachtsbesluit prematuur was omdat Kroatië de verantwoordelijkheid nog niet definitief had vastgesteld en dat hij mishandeld was door Kroatische autoriteiten, wat bijzondere omstandigheden zou vormen. De rechtbank oordeelde dat artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening vereist dat de lidstaat waar het eerste verzoek is ingediend (Kroatië) de verzoeker terugneemt met het oog op afronding van de procedure, ook als de verantwoordelijkheid nog niet definitief is vastgesteld.
De rechtbank verwierp het motiveringsgebrek en het beroep op bijzondere omstandigheden, waaronder mishandeling, omdat deze niet relevant waren voor de beoordeling van de overdracht. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling.