ECLI:NL:RBDHA:2025:20716

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL24.14992
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822Artikel 2 UitvoeringsbesluitArtikel 5 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit en beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling met tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd nadat zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) werd beëindigd. Eiser stelde dat hij onder de facultatieve tijdelijke bescherming viel en dat het terugkeerbesluit onterecht was, mede vanwege het ontbreken van consensus binnen de EU en het niet betrekken van zijn persoonlijke belangen.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 een vervangend besluit was voor het eerdere besluit van 21 februari 2024, dat was ingetrokken. Het beroep tegen het eerste besluit werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het tweede besluit werd inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende onderbouwde dat hij onder de verplichte bescherming viel en bevestigde dat hij onder de facultatieve bescherming viel, die terecht werd beëindigd.

Verder stelde de rechtbank dat er geen persoonlijke belangenafweging hoefde plaats te vinden bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming en dat het terugkeerbesluit niet in strijd was met het recht op privéleven of het non-refoulementbeginsel. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit is terecht opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.14992

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Inleiding

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] (hierna: RTB) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit [2] .
1.1.
Op 21 februari 2024 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
Op 24 juli 2025 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit van 21 februari 2024 was volgens verweerder prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. Verweerder heeft het besluit van 21 februari 2024 ingetrokken [3] en onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Awb vervangen met het bestreden besluit van 24 juli 2025.
1.3.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 3 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, mr. M. van den Boom (kantoorgenoot van de gemachtigde van eiser) en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Wat vindt eiser in beroep?
2. Het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 is ten onrechte opgelegd, omdat de tijdelijke bescherming van eiser niet is beëindigd. Eiser valt niet onder de facultatieve bescherming van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit, maar heeft recht op tijdelijke bescherming op grond van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit. Er ontbreekt namelijk consensus binnen de Europese Unie over de toepassing van artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Dit blijkt volgens eiser uit de verschillende taalversies van dat artikel en uit de beleidspraktijk van de lidstaten. Dit is volgens eiser van invloed op de beoordeling van de evenredigheid en rechtsgelijkheid van het nationale terugkeerbeleid. Daarop voortbordurend stelt eiser dat verweerder blijkens artikel 28 van Pro de VEU [4] gehouden was zijn nationale standpunt binnen de Raad aan de orde te stellen voordat hij overging tot beëindiging van de tijdelijke bescherming en het opleggen van een terugkeerbesluit. Ook stelt eiser dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming getoetst had moeten worden aan Unierechtelijke rechtsbeginselen. Voor zover eiser daarnaast onder de facultatieve bescherming zou vallen, heeft verweerder ten onrechte de persoonlijke belangen van eiser niet in zijn besluitvorming betrokken. Het terugkeerbesluit is in strijd met het recht op eerbiediging van zijn privéleven, zoals gewaarborgd in artikel 7 van Pro het Handvest [5] en artikel 8 van Pro het EVRM [6] .
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Ontvankelijkheid
2.1.
De rechtbank beschouwt het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 als vervangend besluit van het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 in de zin van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb inhoudelijk beoordelen.
2.2.
Nu verweerder het besluit van 21 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep voor zover gericht tegen dit besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 6.
Opleggen terugkeerbesluit 24 juli 2025
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 terecht heeft opgelegd. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
3.1.
Ten aanzien van eisers standpunt dat hij onder artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit zou vallen, de tijdelijke bescherming voor eiser dus niet is beëindigd en daarom het terugkeerbesluit ten onrechte zou zijn opgelegd, overweegt de rechtbank dat eiser dit onvoldoende heeft onderbouwd. Met de enkele verwijzing naar de Hongaarse versie van het Uitvoeringsbesluit waarin het Hongaarse woord voor ‘permanent’ zou ontbreken, is onvoldoende onderbouwd dat artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit niet alleen zou zien op derdelanders met een permanente verblijfsvergunning maar ook op eiser die daar niet over beschikte en een tijdelijke verblijfsvergunning had. Ter zitting is door eiser bevestigd dat de overlegde vertaling van de Hongaarse versie van artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit met google translate tot stand is gekomen, waardoor deze vertaling op zichzelf onvoldoende geschikt is om het standpunt van eiser te onderbouwen. Daar komt bij dat uit de Engelse, Duitse en Franse taalversies blijkt dat artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit wel ziet op derdelanders met een permanente verblijfsvergunning. De rechtbank vindt daarvoor bevestiging in het Uitvoeringsbesluit in de preambule, nrs. 12 en 13, waarbij uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen derdelanders met een permanente verblijfsvergunning die moéten worden beschermd (verplicht) en derdelanders die voor kortere tijd in Oekraïne verbleven die kúnnen worden beschermd (facultatief). Dat er zoals door eiser gesteld een inconsistentie in preambule 12 zit, ziet de rechtbank niet. Ook in het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024 wordt het onderscheid tussen artikel 2, tweede en derde lid, van het Uitvoeringsbesluit nadrukkelijk benoemd. [7] Deze grond slaagt dus niet.
3.2.
De rechtbank overweegt gelet op het voorgaande dat eiser wel degelijk onder artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit valt en dat de tijdelijke bescherming voor eiser wel is beëindigd. Nederland heeft deze facultatieve bepaling toegepast door de tijdelijke bescherming uit te breiden tot staatlozen en derdelanders die in het bezit waren van een op 23 februari 2022 in Oekraïne geldige tijdelijke verblijfsvergunning, zonder te vereisen dat werd aangetoond dat deze personen niet in veilige en duurzame omstandigheden naar hun land of regio van herkomst konden terugkeren. In tegenstelling tot wat eiser stelt, heeft verweerder niet de Raad in hoeven schakelen om de tijdelijke bescherming te beëindigen. In het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van 19 december 2024 is namelijk bepaald dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en hij de algemene beginselen van het Unierecht in acht neemt. Deze grond slaag ook niet.
3.3.
De rechtbank overweegt dat er bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 geen ruimte is voor een persoonlijke belangenafweging. De rechtbank volgt niet dat unierechtelijke beginselen (het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel) in de weg staan aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024. Met het besluit om terug te komen op de toepassing van de facultatieve bepaling voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne bestaat geen grondslag meer voor de toekenning en de voortzetting van tijdelijke bescherming aan deze groep. Verweerder heeft daarom terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. De rechtbank verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 [8] en de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 28 maart 2024 [9] en 5 september 2025 [10] .
3.4.
Voor zover de gronden van eiser moeten worden opgevat als dat eiser over zijn persoonlijke omstandigheden had moeten worden gehoord, was daar voor verweerder gelet op het voorgaande geen aanleiding voor.
3.5.
De rechtbank heeft, omdat dit niet uitdrukkelijk is aangevoerd, ambtshalve onderzocht of de in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan het opleggen van het terugkeerbesluit in de weg staan en komt met verweerder tot de conclusie dat dit niet het geval is. In de zienswijze en in de beroepsgronden is aangevoerd dat eiser privéleven heeft in verband met zijn werk en sociale banden heeft opgebouwd. De rechtbank overweegt daartoe dat dit - nog afgezien van het feit dat dit niet is onderbouwd – onvoldoende is om in de weg te staan aan het opleggen van het terugkeerbesluit.
3.6.
Ten aanzien van het beginsel van non-refoulement is de rechtbank ambtshalve van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 is niet-ontvankelijk.
5. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 24 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat verweerder het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 terecht heeft opgelegd.
6. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 21 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep gericht tegen het besluit van 24 juli 2025 ongegrond;
  • veroordeelt verweerder tot betaling in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
3.Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
4.Verdrag betreffende de Europese Unie.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.ECLI:EU:C:2024:1038, rechtsoverwegingen 87 en 88.
8.ECLI:NL:RVS:2024:32, onder 10.3.