Eiser, een Marokkaanse vreemdeling met tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd nadat zijn tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) werd beëindigd. Eiser stelde dat hij onder de facultatieve tijdelijke bescherming viel en dat het terugkeerbesluit onterecht was, mede vanwege het ontbreken van consensus binnen de EU en het niet betrekken van zijn persoonlijke belangen.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 een vervangend besluit was voor het eerdere besluit van 21 februari 2024, dat was ingetrokken. Het beroep tegen het eerste besluit werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het tweede besluit werd inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende onderbouwde dat hij onder de verplichte bescherming viel en bevestigde dat hij onder de facultatieve bescherming viel, die terecht werd beëindigd.
Verder stelde de rechtbank dat er geen persoonlijke belangenafweging hoefde plaats te vinden bij de beëindiging van de tijdelijke bescherming en dat het terugkeerbesluit niet in strijd was met het recht op privéleven of het non-refoulementbeginsel. De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser.