Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:20792

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
NL24.50633 en NL24.50634
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens ontbreken beschermenswaardig gezinsleven

Eiseres, een Syrische vrouw, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel verblijf als familie- of gezinslid bij haar zoon (referent) in Nederland. De minister wees deze aanvraag af omdat er geen sprake zou zijn van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, vanwege het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.

De rechtbank oordeelt dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij financieel of medisch afhankelijk is van haar zoon. Hoewel zij fysieke beperkingen heeft, blijkt uit de stukken dat zij zelfstandig haar medische zorg regelt en niet afhankelijk is van referent. Het samenwonen in Syrië vond plaats tijdens de minderjarigheid van referent, wat gebruikelijk is en geen bijkomende elementen van afhankelijkheid oplevert.

De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat geen belangenafweging hoefde plaats te vinden, omdat geen beschermenswaardig gezinsleven is vastgesteld. Ook is geen sprake van bijzondere omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen.

Wel is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep, waarvoor eiseres een immateriële schadevergoeding van €500,- wordt toegekend. Daarnaast wordt een proceskostenvergoeding van €226,75 toegekend voor de kosten verband houdend met het verzoek om schadevergoeding.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en de minister veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.50633 en NL 24.50634
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een mvv [1] . Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiseres heeft wel recht op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij [referent 1] (referent) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [2] . De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 juli 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 november 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [3] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent 1] , [naam] (broer van referent en zoon van eiseres), de gemachtigde van eiseres, M. Ziad als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
4.1.
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiseres heeft op 25 februari 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ omdat zij in Nederland wil verblijven bij haar zoon (referent).
4.2.
De minister is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Volgens de minister heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiseres en referent. De minister heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024 [4] geen belangenafweging gemaakt.
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie
5.1.
Eiseres voert aan dat de conclusie van de minister dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM onvoldoende is gemotiveerd en berust op een selectieve weging van feiten. De minister stelt dat de afhankelijkheid tussen eiseres en referent niet verder gaat dan de gebruikelijke. De minister heeft volgens eiseres echter nagelaten een voldoende brede beoordeling te maken van de vraag of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. De minister mocht in die beoordeling niet slechts betrekken of eiseres vanwege haar medische toestand afhankelijk is van referent, maar moest een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De minister stelt dat eiseres zelfstandig kan wonen in Syrië en dat zij hulp krijgt van buren en vrienden, terwijl de verklaringen in bezwaar en de medische stukken aantonen dat eiseres structurele hulp nodig heeft vanwege haar fysieke beperkingen. Uit de door eiseres overgelegde medische gegevens volgt dat zij ernstige mobiliteitsproblemen ondervindt en afhankelijk is van dagelijkse fysieke assistentie bij huishoudelijke taken en vervoer waardoor zij niet zelfstandig kan voorzien in haar dagelijkse levensonderhoud. Deze stukken benadrukken de noodzaak van structurele ondersteuning die de minister onvoldoende heeft meegewogen. De combinatie van fysieke, praktische en emotionele afhankelijkheid waarbij eiseres afhankelijk is van referent overstijgt het gebruikelijke.
5.2.
Uit rechtspraak van het EHRM [5] volgt dat bij relaties tussen meerderjarige kinderen en hun ouders voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than the normal emotional ties’). Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar ‘additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
5.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is er geen geschil over het feit dat referent en eiseres hebben samengewoond tot het vertrek in 2019 uit Syrië van referent die op dat moment 20 jaar was. Dit wijst echter niet op het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid nu het samenwonen heeft plaatsgevonden tijdens de minderjarigheid en jongvolwassenheid van referent en het gebruikelijk is dat kinderen dan nog bij een ouder wonen. Het gaat er in deze zaak nu juist om dat moeder afhankelijk is van haar zoon. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij financieel afhankelijk is van referent. In beroep wordt dit ook niet langer aangevoerd door eiseres. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres – gezien haar medische situatie – afhankelijk is van de ondersteuning of verzorging door referent, en dat zij zonder deze verzorging niet in staat zou zijn om zelfstandig te functioneren. Door verweerder is erkend dat eiseres wel enkele beperkingen ervaart door haar situatie met bijvoorbeeld het tillen van zware spullen naar haar appartement, maar zij kan ook veel zelf. Uit de verklaringen van referent blijkt namelijk dat eiseres zelf haar medische zorg regelt in Syrië en niet afhankelijk is geweest van referent. Zo is referent niet op de hoogte van de medicatie die eiseres gebruikt en vond de baarmoederverwijdering van eiseres plaats nadat referent Syrië had verlaten. Ook blijkt uit de verklaringen dat eiseres zelf haar boodschappen en alle andere huishoudelijke taken doet. Hoewel het invoelbaar is dat referent zijn moeder zowel mentaal als fysiek wil ondersteunen, maakt dit niet dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Tot slot heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er een verband is tussen de onveilige omstandigheden in Syrië en de situatie van eiseres als individu. Van strijd met de zorgvuldigheid is dan ook niet gebleken. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat tussen eiseres en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en dus niet van een beschermenswaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Belangenafweging
6.1.
Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit de belangen van eiseres en referent worden miskend en onvoldoende rekening wordt gehouden met het recht van eiseres en referent op gezinsleven. De afwijzing dwingt hen in een onveilige situatie te leven en leidt tot een onevenredige inbreuk op hun recht op familieleven.
6.2.
In de uitspraak van 27 maart 2024 [6] heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister bij een beroep op artikel 8 van Pro het EVRM mag volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen een vreemdeling en referent bestaan, als daarbij alle relevante individuele aspecten zijn betrokken. Anders dan uit eerdere rechtspraak volgt, hoeft verweerder vervolgens niet de belangen van de Nederlandse Staat af te wegen tegen de belangen van de betrokken vreemdeling. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, heeft de minister zich in deze zaak op goede gronden op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referent geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bestaat. In die beoordeling heeft de minister alle individuele feiten en omstandigheden van eiseres en referent betrokken, zodat geen belangenafweging hoeft te worden gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Hardheidsclausule
7.1.
Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten te toetsen of de bijzondere omstandigheden van eiseres aanleiding geven om af te wijken van de beleidsregels. De combinatie van medische afhankelijkheid, de slechte veiligheidssituatie in Syrië en de psychologische impact van de scheiding van haar familie rechtvaardigen het toepassen van de hardheidsclausule.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de omstandigheden die eiseres in dit verband heeft aangevoerd dezelfde zijn als die in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM door de minister zijn beoordeeld en overweegt dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van de beleidsregels en de aanvraag van eiseres toch in te willigen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn
8.1.
Eiseres voert aan dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. De termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep binnen twee jaar is inmiddels verstreken nu het bezwaarschrift is ingediend op
15 augustus 2023.
8.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [7] mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Deze termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Het bezwaarschrift dateert van 15 augustus 2023. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat in deze zaak een andere redelijke termijn gerechtvaardigd is. De redelijke termijn eindigde dus op 15 augustus 2025. Gerekend vanaf deze datum tot aan deze uitspraak van de rechtbank is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van (afgerond) drie maanden.
8.3.
Bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding heeft als uitgangspunt te gelden dat voor elk half jaar (of een gedeelte daarvan) dat de redelijke termijn is overschreden een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- wordt toegekend. Zoals hiervoor overwogen, bedraagt de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak (afgerond) drie maanden. De schadevergoeding aan eisers bedraagt daarom € 500,-.
8.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de termijnoverschrijding volledig toe te rekenen aan de minister. De rechtbank heeft op het beroep namelijk binnen een jaar na binnenkomst van het beroepschrift beslist. De rechtbank is daarmee ruim binnen de redelijke termijn van anderhalf jaar gebleven. De rechtbank zal daarom de minister veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan eisers tot een bedrag van € 500,-.

Conclusie en gevolgen

9.1.
Het beroep is ongegrond. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
9.2.
Omdat eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft zij ook recht op een vergoeding van haar proceskosten die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de hoogte van de proceskostenvergoeding met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 226,75 (1 punt voor het verzoek met een wegingsfactor 0,25) voor verleende rechtsbijstand. De rechtbank acht een wegingsfactor 0,25 in dit geval passend, omdat de proceskostenvergoeding slechts wordt toegekend voor het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De werklast die hiermee gepaard gaat voor de gemachtigde acht de rechtbank dusdanig gering dat dit een wegingsfactor 0,25 rechtvaardigt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot het betalen van € 500,- aan schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.M. Schilder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zaak NL24.50634.
5.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
7.Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188 en 11 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2021:1432.