ECLI:NL:RBDHA:2025:20797

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
25.26907
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende op 6 april 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam deze aanvraag aanvankelijk niet in behandeling omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Na bezwaar en beroep werd een vervangend besluit genomen waarin de zienswijze van eiser alsnog werd meegenomen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk vanwege het vervangend besluit, maar oordeelde het beroep tegen het vervangend besluit ongegrond. De rechtbank bevestigde dat Nederland terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, ondanks de door eiser aangevoerde rapporten over tekortkomingen in de opvang en mensenrechtenschendingen.

De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten die eiser maakte tegen het eerste besluit, omdat het vervangend besluit erkent dat het eerste besluit gebrekkig was voorbereid. Het beroep tegen het vervangend besluit werd afgewezen, waardoor de overdracht van eiser aan Frankrijk kan plaatsvinden.

Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het vervangend besluit ongegrond, met veroordeling van de minister in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26907

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A. de Haan),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag van 6 april 2025 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Verloop van de procedure

2. De minister heeft de aanvraag met het eerste besluit van 6 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld.
2.1.
Omdat eiser het voornemen niet tijdig genoeg had ontvangen voor het indienen van een zienswijze heeft de minister op 16 juni 2025 een nieuw besluit genomen en eiser zo alsnog in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Tegen dit besluit is op 17 juni 2025 beroep ingesteld door eiser.
2.2.
De minister heeft naar aanleiding van de gronden van beroep op 25 september 2025 wederom een vervangend besluit bekendgemaakt. Eiser heeft op 6 oktober 2025 gronden ingediend tegen het derde besluit.
2.3.
Het beroep van eiser heeft met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op het derde besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart het beroep deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beroep tegen het bestreden besluit van 16 juni 2025
5. Met het besluit van 25 september 2025 heeft de minister een geheel nieuw besluit genomen op de aanvraag van eiser, waarbij de ingediende zienswijze van eiser alsnog is meegenomen. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van een vervangend besluit. Omdat het besluit van 16 juni 2025 is vervangen door het besluit van 25 september 2025 heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit van 16 juni 2025. Daarom verklaart de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk.
5.1.
Nu het vervangend besluit is genomen nadat beroep was ingesteld tegen het bestreden besluit en de minister door het nemen van het vervangende besluit heeft erkend dat het bestreden besluit gebrekkig was voorbereid, omdat de zienswijze niet was meegenomen, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met zijn beroep tegen het bestreden besluit heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beroep tegen het vervangend besluit van 25 september 2025
Totstandkoming van het besluit
6. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk op 30 april 2025 een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 14 mei 2025 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
7. Eiser stelt in de aanvullende gronden dat de minister er ten onrechte vanuit is gegaan dat ten aanzien van Frankrijk nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hierbij verwijst eiser naar het AIDA-rapport van 12 juni 2025. Volgens eiser geven de voorgaande AIDA-rapporten ten aanzien van Frankrijk een vergelijkbaar beeld, namelijk dat er sprake is van een structureel en schrijnend tekort aan opvangplekken wat leidt tot dakloosheid en mensenrechtenschendingen. Bij terugkeer is het risico groot dat eiser in deze situatie belandt. Volgens eiser getuigt het van naïviteit van de zijde van de minister dat hij overweegt dat eiser kan klagen bij de autoriteiten van Frankrijk.
7.1.
De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) meermaals heeft bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [2] De Afdeling heeft in dat oordeel ook het door eiser aangehaalde AIDA-rapport betrokken en geconcludeerd dat het rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Frankrijk voor Dublinclaimanten dan uit de eerder betrokken landeninformatie volgt. [3] De rechtbank ziet geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel. Gelet hierop mocht de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Nu eisers beroepsgrond niet slaagt, is het beroep tegen het vervangend besluit ongegrond. Dat betekent dat het vervangend besluit in stand blijft. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Frankrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van de proceskosten die hij in verband met dit beroep heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni 2025 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het vervangend besluit van 25 september 2025 ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A. Postma, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Zie meest recent: uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.