ECLI:NL:RBDHA:2025:20919
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening wegens eerdere toewijzing
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om veroordeling van de minister van Asiel en Migratie in de proceskosten. Dit verzoek werd ingediend bij intrekking van een eerder verzoek om voorlopige voorziening op 13 april 2024.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de voorlopige voorziening voor verzoeker reeds op 4 april 2024 is toegewezen in een andere procedure met zaaknummer NL24.10955, waarbij ook een proceskostenvergoeding is toegekend. Verzoeker heeft geen reactie gegeven op het verzoek van de voorzieningenrechter om toe te lichten waarom in deze nieuwe zaak alsnog een proceskostenvergoeding zou moeten worden toegekend.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening in deze zaak geen aanleiding geeft tot een nieuwe proceskostenvergoeding, omdat het doel van de voorlopige voorziening reeds is bereikt in de eerdere procedure. De dubbele indiening en daaropvolgende intrekking maken de huidige zaak inhoudelijk leeg. Daarom wordt het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter S. Kompier en griffier F. Metz, uitgesproken in het openbaar op 5 november 2025. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat reeds eerder een voorlopige voorziening en proceskostenvergoeding zijn toegekend.