In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 6 november 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Afghaanse minderjarige eiser beoordeeld. Eiser, geboren in 2006, heeft op 2 december 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, die door de minister van Asiel en Migratie op 17 mei 2024 als kennelijk ongegrond is afgewezen. Eiser voert aan dat hij problemen ondervindt met de Taliban, die hem gedwongen willen rekruteren, en dat hij als Hazara wordt gediscrimineerd. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar de vraag of er adequate opvang voor eiser beschikbaar was in Afghanistan tijdens zijn minderjarigheid. De rechtbank stelt vast dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd dat hij gedurende de minderjarigheid van eiser voortvarend aan het onderzoek naar adequate opvang heeft gewerkt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, vastgesteld op € 2.267,50.