Eiser, een Afghaanse minderjarige, diende op 2 december 2022 een asielaanvraag in die door de minister op 17 mei 2024 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder problemen met de Taliban, discriminatie vanwege zijn Hazara-afkomst en een nieuw asielmotief over verwestering.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het asielrelaas over de Taliban-problematiek en discriminatie niet zwaarwegend achtte, en het nieuwe motief te laat en onvoldoende concreet was ingediend. Wel stelde de rechtbank vast dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek had gedaan naar de vraag of er tijdens de minderjarigheid van eiser adequate opvang in Afghanistan aanwezig was.
De minister had onvoldoende gemotiveerd welke stappen waren ondernomen en waarom het onderzoek vertraagd was, terwijl dit onderzoek essentieel is voor de beoordeling van het verblijfsrecht onder het amv-buitenschuldbeleid. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit voor zover het betreft het onderzoek naar adequate opvang en beveelt een nieuw besluit binnen acht weken.
De rechtbank kende eiser tevens proceskosten toe van € 2.267,50. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige en tijdige beoordeling van opvangmogelijkheden voor minderjarige asielzoekers.