ECLI:NL:RBDHA:2025:20951

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
7 november 2025
Zaaknummer
NL24.21707
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Afghaanse minderjarige met problemen met de Taliban en de beoordeling van adequate opvang in Afghanistan

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 6 november 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Afghaanse minderjarige eiser beoordeeld. Eiser, geboren in 2006, heeft op 2 december 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, die door de minister van Asiel en Migratie op 17 mei 2024 als kennelijk ongegrond is afgewezen. Eiser voert aan dat hij problemen ondervindt met de Taliban, die hem gedwongen willen rekruteren, en dat hij als Hazara wordt gediscrimineerd. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar de vraag of er adequate opvang voor eiser beschikbaar was in Afghanistan tijdens zijn minderjarigheid. De rechtbank stelt vast dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd dat hij gedurende de minderjarigheid van eiser voortvarend aan het onderzoek naar adequate opvang heeft gewerkt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten, vastgesteld op € 2.267,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.21707

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar de vraag of voor eiser tijdens zijn minderjarigheid adequate opvang aanwezig was in zijn land van herkomst. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 en 4 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 2 december 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Afghaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 mei 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2024 op zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek na afloop van die zitting gesloten. Op 9 juli 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep in verband met de complexiteit van één van de rechtsvragen die in deze zaak aan de orde is verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep daarna op 20 mei 2025 opnieuw op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Afghanistan problemen ondervond met de Taliban, omdat ze hem gedwongen wilden rekruteren. De Taliban hadden namelijk een brief gestuurd aan eisers vader, waarin ze eiser opdroegen zich te melden om met hen mee te strijden (hierna: de dreigbrief). In de dreigbrief stond dat de moeder van eiser moest stoppen met het werk dat zij deed. Omdat eiser zich niet bij de Taliban gemeld heeft, zou hij thuis zijn opgezocht. Eiser was op dat moment niet thuis en is door zijn moeder geïnformeerd dat hij het land moest verlaten. Eiser heeft dat gedaan. Eiser vreest bij terugkeer naar Afghanistan voor gedwongen rekrutering door de Taliban. Eiser legt daarnaast aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Afghanistan wordt gediscrimineerd, omdat hij behoort tot de Hazara. Eiser heeft op de zitting als asielmotief nog naar voren gebracht dat hij ‘verwesterd’ is en om die reden bij terugkeer in de negatieve belangstelling zal komen te staan van de Taliban.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Problemen met de Taliban.
4.1.
De minister acht het element identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar het element problemen met de Taliban niet. Het geloofwaardig geachte element is volgens de minister niet zwaarwegend genoeg om te concluderen dat eiser moet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De minister vindt verder dat hij voldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang voor eiser in zijn land van herkomst, gedurende de tijd dat eiser hangende zijn asielprocedure minderjarig was. Op wat de minister met betrekking tot al het voorgaande overweegt wordt hieronder nader ingegaan.
Heeft de minister ten onrechte de problemen met de Taliban ongeloofwaardig geacht?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte de problemen die hij ondervindt of vreest te ondervinden van de zijde van de Taliban ongeloofwaardig acht. Eiser betoogt dat zijn verklaringen wel degelijk overeenkomen met de inhoud van de overgelegde dreigbrief. Ter onderbouwing heeft hij een beëdigde vertaling overgelegd van de dreigbrief. Hieruit volgt volgens eiser dat de Taliban zijn vader hebben verzocht om zijn zoon over te dragen voor het uitvoeren van diensten voor de Taliban. Dit betekent dat de vertaling van de dreigbrief door de tolk van de minister onjuist is. Eiser heeft verder niet wisselend verklaard over de wijze en de plek waarop de dreigbrief aan zijn vader werd overhandigd. Hij heeft de vraag in eerste instantie verkeerd begrepen, maar daarna verduidelijkt dat de Taliban eerst zijn vader een bericht hebben gestuurd dat hij ontving toen hij landbouwgrond aan het bewerken was, en daarna, toen eiser zich niet had gemeld, de dreigbrief naar zijn huis heeft gebracht. Eiser betoogt verder dat de minister ten onrechte van hem verlangt dat hij zijn moeder nader bevraagt over de situatie. Het is in de Arabische cultuur niet gebruikelijk om als kind je ouder te bevragen over problemen. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met dat referentiekader. Bovendien wil eiser zijn moeder niet verder belasten. Eiser betoogt daarnaast dat de regio waar hij vandaan komt, Mazar-i-Sharif, altijd al in handen is geweest van de Taliban, zelfs toen het oude regime nog de centrale macht in Afghanistan had. [2] De minister hanteert dan ook ten onrechte als peilmoment de feitelijke machtsovername in 2021 en werpt eiser ten onrechte tegen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt hoe het kan dat de Taliban eiser al benaderden voordat zij het gebied waar hij woonde veroverden. Eiser stelt tot slot dat de minister ten onrechte ongeloofwaardig acht dat niet duidelijk is waarom de Taliban eiser wilden oppakken en meenemen en waarom dit niet kon bij zijn ouders. Uit het Algemeen Ambtsbericht van juni 2023 blijkt namelijk dat wel degelijk sprake is van gedwongen rekruteringen in acute noodgevallen, dat dit afhankelijk is van de lokale omstandigheden en dat de Taliban ook kinderen rekruteerden voor ondersteunende taken.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank namelijk niet ten onrechte op het standpunt dat de problemen die eiser ondervindt of vreest te ondervinden van de zijde van de Taliban ongeloofwaardig zijn. De minister stelt zich allereerst ten aanzien van de (inhoud van) de dreigbrief niet ten onrechte op het standpunt dat eiser ongerijmd verklaart, ongeacht van welke vertaling wordt uitgegaan. Zo verklaart eiser dat in de dreigbrief stond dat hij langzamerhand volwassen werd zodat hij aangemeld moest worden voor de militaire dienst en dat hij zich binnen zeven dagen moest melden [3] , terwijl uit geen van de vertalingen blijkt dat dat de inhoud van de dreigbrief is. Daarbij mocht de minister verder ook betrekken dat eisers naam niet wordt genoemd in de dreigbrief, terwijl eiser ook drie broertjes heeft op wie de dreigbrief zou kunnen slaan en dat uit algemene informatie blijkt dat dergelijke persoonlijke dreigbrieven vrijwel zonder uitzondering vals zijn en tegen betaling kunnen worden verkregen. [4] De minister stelt zich verder niet ten onrechte op het standpunt dat eiser vaag en wisselend verklaart over de manier waarop de Taliban hem benaderd zouden hebben en hoe de dreigbrief is ontvangen. Zo verklaart eiser eerst dat zijn moeder een boodschap kreeg van de Taliban en dat die boodschap niet naar zijn vader kon, omdat hij in de omgeving waar zij woonden een bekend persoon was met aanzien. [5] Later verklaart eiser dat het bericht aan zijn vader is gegeven, toen hij op zijn landbouwgrond was. [6] Dat eiser de vraag of zijn vader persoonlijk is benaderd verkeerd had begrepen en antwoordde dat zijn vader (in zijn jeugd) niet zelf is benaderd om zich aan te sluiten bij de Taliban, omdat hij op dat moment in Iran verbleef, maakt niet dat de minister eiser niet mag tegenwerpen dat hij vaag en wisselend verklaart over de manier waarop de dreigbrief is ontvangen. Nu de gestelde rekrutering door de Taliban de kern van het asielrelaas van eiser vormt, werpt de minister eiser ook niet ten onrechte tegen dat hij daar niet meer over kan verklaren, bijvoorbeeld door zijn moeder daarover te bevragen. Zoals de minister terecht stelt is het namelijk aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Dat de minister ten onrechte het moment van machtsovername door de Taliban in Mazar-i-Sharif in 2021 legt en eiser daarom tegenwerpt dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt hoe het kan dat de Taliban hem al benaderden voordat zij het gebied waar hij woonde veroverden volgt de rechtbank verder niet. Uit het door de minister aangehaalde Algemeen Ambtsbericht volgt dat de Taliban de macht in Mazar-i-Sharif overnamen op 14 augustus 2021. [7] De door eiser aangehaalde bron waaruit zou moeten blijken dat de Taliban al veel eerder de macht hadden in Mazar-i-Sharif dateert niet alleen uit 1998, waardoor deze minder betrouwbaar lijkt dan het recentere ambtsbericht waar de minister naar refereert, maar gaat ook over een vrij specifiek incident in augustus 1998 waarbij de Taliban een veelvoud aan mensenrechtenschendingen zouden hebben gepleegd in de stad. De rechtbank leidt daaruit – anders dan eiser stelt – niet af dat de Taliban al eerder dan 2021 feitelijk de macht hadden in Mazar-i-Sharif. De minister heeft tot slot niet ten onrechte betrokken dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake was van een acute noodsituatie. Hoewel niet in geschil is dat dat een omstandigheid (of de enige omstandigheid) is waaronder de Taliban doen aan gedwongen rekrutering van kinderen, heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd waarom die omstandigheid in zijn geval aan de orde was.
Heeft de minister de geloofwaardige geachte elementen terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?
Hazara-etniciteit
6. Eiser betoogt dat hij problemen heeft ondervonden, omdat hij Hazara is. Er was volgens hem sprake van racisme. Hazara’s hebben volgens eiser in Afghanistan het meest te lijden onder discriminatie, vooroordelen en racisme. Bovendien worden ze negatief bekeken door de Taliban om zowel religieuze als etnische en tribale redenen. [8] Daarnaast zouden de Taliban niet veel doen om Hazara’s te beschermen. Uit een rapport van Human Rights Watch volgt volgens eiser dat de Taliban falen om veiligheid te bieden aan bevolkingsgroepen die risico lopen. Ook bieden zij te weinig medische en andere hulp aan slachtoffer van de betrokken families. [9] In dit kader dient ook de door eiser ontvangen dreigbrief te worden betrokken. Die dreigbrief maakt namelijk dat sprake is van voldoende persoonlijke omstandigheden om aan te nemen dat eiser, als Hazara, moet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag of om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, onder verwijzing naar de Kamerbrief over het landenbeleid Afghanistan van 23 januari 2024 en het daaraan ten grondslag liggende Algemeen Ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 terecht op het standpunt dat de mate waarin Hazara’s een risico lopen sterk afhankelijk is van de persoonlijke omstandigheden en dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van dusdanig persoonlijke omstandigheden dat hij bij terugkeer naar Afghanistan gevaar loopt als gevolg van zijn Hazara afkomst. Hoewel uit hetzelfde ambtsbericht, zoals eiser ook stelt, ook blijkt dat de positie van Hazara’s in Afghanistan niet gemakkelijk is, is dat op zichzelf niet voldoende om aan te nemen dat elke Hazara bij terugkeer naar Afghanistan aangemerkt moet worden als vluchteling of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Zoals volgt uit wat hiervoor is besproken, heeft de minister de persoonlijke problemen die eiser stelt te hebben ondervonden van de zijde van de Taliban niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister betrekt verder terecht bij zijn beoordeling dat eiser naar school kon, dat zijn moeder een hoogopgeleide vrouw is en dat zijn vader een man is met macht en aanzien.
Terugkeer uit het Westen
7. Eiser betoogt verder dat hij als Afghaan die terugkeert naar Afghanistan uit Europa mogelijk risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Ter onderbouwing verwijst hij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 28 februari 2024. Hierin droeg de rechtbank de minister op om nader onderzoek te doen naar de risico’s voor Afghanen die terugkeren naar Afghanistan uit Europa. [10] De minister heeft hier ten onrechte geen onderzoek naar verricht.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De uitspraak waar eiser naar verwijst is inmiddels door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) vernietigd. [11] De Afdeling komt tot het oordeel dat uit de informatie uit de openbare bronnen niet volgt dat vreemdelingen die in een westers land hebben verbleven, alleen al om die reden een reëel risico op ernstige schade lopen als zij vrijwillig terugkeren naar Afghanistan. Eiser heeft op zitting desgevraagd aangegeven bekend te zijn met de uitspraak van de Afdeling, maar niet toegelicht waarom voor hem desondanks vanwege zijn verblijf in het westen moet worden aangenomen dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank ziet daarom geen reden om af te wijken van het oordeel van de Afdeling.
Nieuw asielmotief in beroep
8. Eiser heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij niet alleen vreest bij terugkeer naar Afghanistan in verband met de hiervoor besproken asielmotieven, maar ook vanwege het feit dat hij ‘verwesterd’ is (
de rechtbank begrijpt: zich vereenzelvigd heeft met westerse opvattingen).
8.1.
De rechtbank moet rekening houden met feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit zijn aangevoerd, voor zover dat geen strijd oplevert met de goede procesorde en voor zover de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. [12] Het gevolg hiervan is dat eiser in beroep in beginsel nog nieuwe asielmotieven naar voren kan brengen. Aan de orde is de vraag of eiser dit nieuwe asielmotief dusdanig laat naar voren heeft gebracht dat dit niet meer bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan sprake. Een nieuw asielmotief kan namelijk alleen in het lopende beroep worden betrokken als zowel de rechtbank als de minister de mogelijkheid hebben om het asielmotief in het kader van het beroep te onderzoeken. Concreet houdt dat in dat het asielmotief volgens de nationale procedureregels tijdig moet zijn ingediend én dat het asielmotief voldoende concreet is om in beroep naar behoren te kunnen worden onderzocht. [13] Van beide omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Niet alleen heeft eiser zijn asielmotief pas op zitting naar voren gebracht, terwijl hij twee dagen voor de zitting nog een pleitnota heeft ingediend waarin dit asielmotief niet wordt genoemd, eiser heeft ook slechts verwezen naar de algemene situatie in Afghanistan voor jonge jongens zonder te onderbouwen op welke manier dit hem als ‘verwesterde’ man persoonlijk raakt. Dit acht de rechtbank onvoldoende concreet. De rechtbank betrekt het nieuw door eiser naar voren gebrachte asielmotief daarom niet in het kader van het onderhavige beroep.
Heeft de minister voldoende voortvarend beoordeeld of voor eiser na terugkeer adequate opvang aanwezig was?
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen, althans onvoldoende voortvarend, onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van adequate opvang bij terugkeer naar Afghanistan. Er is tot op heden geen conclusie over de aanwezigheid van adequate opvang in Afghanistan terwijl eiser al in december 2022 een asielaanvraag heeft ingediend. Dat de minister de zaak lang heeft laten liggen en dat eiser hierdoor gedurende de procedure meerderjarig is geworden, dient niet voor zijn rekening te komen. Het is voor hem namelijk niet mogelijk om terug te keren naar Afghanistan. Zijn gezin heeft al lang niks gehoord van zijn vader. Hij heeft geen vangnet in Afghanistan. Eiser verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar het arrest TQ [14] en rechtspraak van de Afdeling. [15]
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat nader onderzoek naar de verblijfplaats van eisers vader en andere familieleden in Afghanistan was aangewezen, maar dat dat pas mogelijk was na het besluit op de asielaanvraag, omdat er geen contact kon worden opgenomen met autoriteiten in Afghanistan of andere partijen waarvoor eiser mogelijk te vrezen heeft. Toen er eenmaal was beslist op de asielaanvraag was eiser reeds meerderjarig en heeft de minister dat onderzoek niet alsnog verricht. De minister acht verder paragraaf 4.4 van het Informatiebericht 2023/41 ‘Beslissen op amv-zaken na Afdelingsuitspraken van 8 juni 2022 (actualisering)’ van belang. Uit die paragraaf volgt het volgende:
“Als de Amv bij het nemen van het afwijzende asielbesluit inmiddels meerderjarig is en op grond van het IND onderzoek adequate opvang (zie 4.2) kan worden vastgesteld tijdens de minderjarigheid, kan bij de ambtshalve toets worden geoordeeld dat betrokkene niet (met terugwerkende kracht tot aan meerderjarigheid) in aanmerking komt voor een Amv-buitenschuldvergunning.
Als niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van adequate opvang tijdens de minderjarigheid, moet de IND inzichtelijk maken waarom het onderzoek naar adequate opvang niet was afgerond ten tijde van de minderjarigheid van de Amv. Hierbij wordt meegewogen de leeftijd van de Amv ten tijde van de asielaanvraag, de duur van de asielprocedure en de duur van het onderzoek. Dit is de algemene lijn die in elke zaak een individuele afweging en motivering vergt.
In zijn algemeenheid kan in de volgende situaties worden aangenomen dat het onderzoek naar adequate opvang niet afgerond had kunnen zijn:
• de IND neemt binnen de (al dan niet verlengde) beslistermijn een besluit op de asielaanvraag
• de Amv is binnen de (al niet verlengde) beslistermijn van de asielaanvraag meerderjarig geworden
• de periode vanaf de indiening van de asielaanvraag tot aan het moment dat de Amv meerderjarig is geworden, is niet langer dan 1,5 jaar (=beslistermijn IND van 6 maanden + 1 jaar onderzoek DT&V).
Als de beslistermijn is verlengd, wordt deze termijn bij de 1,5 jaar opgeteld. In deze situaties kan bij de ambtshalve toets worden geoordeeld dat betrokkene (met terugwerkende kracht tot aan meerderjarigheid) niet in aanmerking komt voor een Amv-buitenschuldvergunning. De IND kan als motivering aangeven dat onderzoek is gedaan tijdens de gehoren, dat daaruit geen conclusie over adequate opvang kon worden getrokken en dat niet alle onderzoeken konden worden gedaan omdat nog geen beslissing was genomen op de asielaanvraag. Als de IND in een zaak oordeelt dat het onderzoek wel afgerond had kunnen zijn - mede gelet op de duur van de asielprocedure en de periode dat de Amv tijdens de procedure minderjarig was - en niet is beslist voordat de Amv meerderjarig werd, kan voor advies contact worden opgenomen met SUA.”
9.2.
De minister stelt zich onder verwijzing naar deze paragraaf op het standpunt dat het onderzoek naar adequate opvang in het geval van eiser nog niet afgerond had kunnen zijn, omdat in zijn geval sprake is van een verlengde beslistermijn, waardoor de totale termijn voor het afronden van het onderzoek naar adequate opvang 15 maanden plus 1 jaar bedraagt. Die beslistermijn bedraagt door het WBV 2022/22 namelijk 15 maanden, aldus de minister. Eiser is volgens de minister binnen de beslistermijn, namelijk ongeveer 1 jaar en 3 maanden na het indienen van zijn asielaanvraag, meerderjarig geworden.
9.3.
De Afdeling heeft in de uitspraak van 8 juni 2022 aan de hand van het arrest TQ het toetsingskader uiteengezet voor zaken van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (amv’ers) waarin de minister het onderzoek naar de opvangmogelijkheden in het land van terugkeer niet tijdens de beoordeling van de materiële asielaanspraken heeft afgerond en daardoor nog geen terugkeerbesluit kan nemen of een verblijfsvergunning kan verlenen. De Afdeling overweegt dat de minister onder bepaalde omstandigheden het asielbesluit en het terugkeerbesluit ten aanzien van een niet-begeleide minderjarige vreemdeling niet gelijktijdig hoeft te nemen. Deze omstandigheden doen zich voor als de minister tijdens de asielprocedure nog niet heeft kunnen vaststellen of er in het land van terugkeer adequate opvang voor de vreemdeling aanwezig is, door het tijdrovende karakter van dat onderzoek of omdat hij daar onderzoeksmethoden voor moet hanteren die ertoe kunnen leiden dat de identiteit of andere gegevens van de vreemdeling of zijn familieleden bekend worden bij de autoriteiten van het land van terugkeer. De minister moet in de beslissing op de asielaanvraag dan wel toelichten hoe het onderzoek naar adequate opvang ervoor staat en een inschatting kunnen geven hoe lang dat onderzoek nog zal duren. Over de band van het asielbesluit kan de vreemdeling dit, waaronder ook de duur van het onderzoek, ter toetsing aan de rechter voorleggen. Verder volgt uit rechtspraak van de Afdeling dat, op het moment dat een niet-begeleide minderjarige vreemdeling meerderjarig is geworden, de minister niet langer is gehouden om te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, mits hij gedurende de minderjarigheid van de vreemdeling voortvarend aan dat onderzoek heeft gewerkt. Het ligt op de weg van de minister om dat in het concrete geval aan te tonen. De minister moet in zijn besluit inzichtelijk maken welke stappen hij in die periode heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. Daarbij kan hij betekenis toekennen aan de leeftijd van de vreemdeling ten tijde van de asielaanvraag, de beslistermijn op de asielaanvraag en de duur van het onderzoek. Afhankelijk van het antwoord op de vraag of het onderzoek naar adequate opvang tijdig had kunnen worden afgerond, zal de minister moeten duiden of en zo ja, op welke wijze aan de vreemdeling een verblijfsrecht volgens het amv-buitenschuldbeleid zou zijn toegekomen, wat de gevolgen daarvan zouden zijn op de datum van de meerderjarigheid en of alsnog een terugkeerbesluit moet worden genomen. Dit kan vervolgens door de vreemdeling ter toetsing aan de rechter worden voorgelegd. [16]
9.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser nog voordat de minister op zijn asielaanvraag heeft beslist meerderjarig is geworden. Dat betekent, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader, dat de minister gedurende de minderjarigheid van eiser voortvarend aan het onderzoek naar het bestaan van adequate opvang in Afghanistan moet hebben gewerkt en dat hij dat in het besluit inzichtelijk moet hebben gemaakt.
9.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister dat beide niet of onvoldoende heeft gedaan. Gedurende de minderjarigheid van eiser hebben drie gehoren plaatsgevonden, namelijk het gehoor bij de politie op 2 december 2022, het aanmeldgehoor op 5 december 2022, waarbij eiser is geschouwd, en het aanmeldgehoor van 29 augustus 2023. In het gehoor bij de politie is slechts aan eiser gevraagd of hij nog contact onderhoudt met zijn ouders en zijn hun gegevens genoteerd. Tijdens het aanmeldgehoor van 5 december 2022 zijn geen vragen aan eiser gesteld die verband houden met de opvangmogelijkheden in Afghanistan. Vervolgens zijn tijdens het aanmeldgehoor van 29 augustus 2023 slechts summier vragen gesteld over de familieleden van eiser. Eiser heeft in de correcties en aanvullingen op dat gehoor het telefoonnummer van zijn moeder doorgegeven. Het onderzoek dat de minister heeft verricht bestaat er in deze zaak dus uit dat de minister eiser heeft gevraagd naar de aanwezigheid van familieleden in het land van herkomst. Eiser heeft in reactie daarop een telefoonnummer en adresgegevens van zijn moeder verstrekt. Eiser heeft verder verklaard niet te weten waar zijn vader verblijft.
9.4.1.
Hoewel het duidelijk is dat de minister vanuit veiligheidsoverwegingen, zolang de asielprocedure loopt, geen contact met de autoriteiten van Afghanistan kan opnemen, volgt uit de uitspraken van de Afdeling niet dat de minister in die fase in het geheel geen onderzoek hoeft te verrichten. Uit deze uitspraken volgt dat dat het op de weg van de minister ligt om in het concrete geval aan te tonen welke stappen hij heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren. De minister kon daarom niet in de besluitvorming volstaan met de conclusie dat nader onderzoek naar de verblijfsplaats van eisers vader en andere familieleden in Afghanistan was aangewezen, maar pas mogelijk was na het besluit op de asielaanvraag. Ook is niets gedaan met de informatie die door eiser is verstrekt, zoals bijvoorbeeld het telefoonnummer en het adres van zijn moeder. Het op zitting ingenomen standpunt dat het in alle gevallen te gevaarlijk is om contact op te nemen met familieleden van asielzoekers (de rechtbank begrijpt zelfs als zij zich in een ander land, namelijk Pakistan bevinden) volgt de rechtbank niet.
9.4.2.
Aan het voorgaande doet niet af dat in het Informatiebericht 2023/41 staat dat het onderzoek naar adequate opvang niet afgerond kan zijn als de periode vanaf de indiening van de asielaanvraag tot aan het moment dat de Amv meerderjarig is geworden, niet langer is dan 1,5 jaar plus de periode van de verlenging van de beslistermijn. Dit is een algemeen uitgangspunt dat zonder meer geen recht doet aan de opdracht om in het concrete geval aan te tonen welke stappen hij wel heeft ondernomen en wat de redenen voor de vertraging van het onderzoek naar adequate opvang waren.
9.5.
Rekening houdend met wat is overwogen onder 9.4, 9.4.1 en 9.4.2. komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij gedurende de minderjarigheid van eiser voortvarend onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van adequate opvang in het land van herkomst. Deze beroepsgrond slaagt daarom.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
De minister heeft echter onvoldoende gemotiveerd dat hij voldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar het bestaan van adequate opvang in het land van herkomst. De minister heeft daarom ook onvoldoende gemotiveerd dat en waarom eiser niet met terugwerkende kracht in aanmerking komt voor een vergunning in het kader van het bijzondere beleid voor amv’ers die buiten hun schuld Nederland niet kunnen verlaten. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin is beslist dat eiser een dergelijke vergunning niet krijgt.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting van 25 juni 2024 en 0,5 punt voor het bijwonen van de zitting van 20 mei 2025 na het verwijzen van de zaak naar de meervoudige kamer van deze zittingsplaats).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen op de aanvraag van eiser, voor zover het eerdere besluit is vernietigd, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, voorzitter, en mr. J.M. Emaus-Visschers en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de minister van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de minister worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Ter onderbouwing verwijst eiser naar een artikel van Human Rights Watch van november 1998 THE MASSACRE IN MAZAR-I SHARIF (hrw.org)
3.Pagina 8 en 13, nader gehoor.
4.Algemeen Ambtsbericht Afghanistan 2020, pagina 49 en Algemeen Ambtsbericht Afghanistan 2022, pagina 71 en 72.
5.Pagina 8, nader gehoor.
6.Pagina 12, nader gehoor.
7.Algemeen Ambtsbericht over Afghanistan, p. 284 en 285.
8.Algemeen Ambtsbericht over Afghanistan 2023, p. 89 e.v.
9.Algemeen Ambtsbericht over Afghanistan 2023, p. 91.
10.Rb. Den Haag (zittingsplaats Arnhem) 28 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2720.
11.ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648.
12.Dat staat in artikel 83, eerste en derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
13.ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2073.
14.Arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:9.
15.ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1532 en ABRvS 30 januari 2025, ECI:NL:RVS:2025:350.
16.ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ABRvS 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1532.