ECLI:NL:RBDHA:2025:21465
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming en oplegging terugkeerbesluit aan derdelander uit Oekraïne
Eiser, een Marokkaanse derdelander die tijdelijk in Nederland verbleef op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege de situatie in Oekraïne, maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn tijdelijke verblijfsrecht en het opgelegde terugkeerbesluit. Verweerder had het verblijfsrecht per 4 maart 2024 beëindigd en een terugkeerbesluit opgelegd omdat de facultatieve tijdelijke bescherming was stopgezet.
De rechtbank oordeelde dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming rechtmatig was en dat er geen toezegging was gedaan dat de facultatieve bescherming gelijk zou blijven aan de verplichte tijdelijke bescherming. De voorlopige voorziening gaf eiser slechts procedureel rechtmatig verblijf gedurende de beroepsprocedure, maar deed niet af aan het feit dat hij niet langer rechtmatig verbleef.
Verder stelde de rechtbank vast dat er geen ruimte is voor een individuele belangenafweging bij het van rechtswege eindigen van het verblijfsrecht en dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel of artikel 8 EVRM Pro. De signalering in het SIS is verplicht en kan niet op evenredigheid worden getoetst. Ook is onvoldoende gesteld dat terugkeer tot schending van het verbod op refoulement leidt.
Ten slotte vond de rechtbank dat verweerder eiser voldoende gelegenheid heeft gegeven zijn standpunten kenbaar te maken en dat het beroep ongegrond is. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bevestigd.