ECLI:NL:RBDHA:2025:21466
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming en oplegging terugkeerbesluit aan derdelander uit Oekraïne
Eiser, een Marokkaanse derdelander die tijdelijk in Nederland verbleef op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege de oorlog in Oekraïne, maakte bezwaar tegen het beëindigen van zijn tijdelijke verblijfsrecht per 4 maart 2024 en het opgelegde terugkeerbesluit van 28 juli 2025.
De rechtbank oordeelt dat de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming rechtmatig is, conform uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie van de Europese Unie. Er is geen toezegging gedaan dat de facultatieve bescherming gelijk zou lopen met de verplichte bescherming, en het vertrouwensbeginsel is niet geschonden.
Verder is vastgesteld dat eiser op het moment van het terugkeerbesluit geen rechtmatig verblijf meer had, ondanks een voorlopige voorziening die zijn uitzetting opschortte. De rechtbank wijst het beroep af omdat er geen ruimte is voor een individuele belangenafweging bij het beëindigen van de tijdelijke bescherming en het opleggen van het terugkeerbesluit.
De persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals een relatie met een Nederlandse partner en sociale contacten, zijn onvoldoende onderbouwd om het besluit te weerleggen. Ook de verplichte signalering in het Schengen Informatie Systeem is wettelijk voorgeschreven en niet aan toetsing onderhevig.
Ten slotte is onvoldoende gesteld dat terugkeer naar Marokko een schending van het verbod op refoulement oplevert. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.