ECLI:NL:RBDHA:2025:21468
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit beëindiging tijdelijke bescherming derdelander
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser, een Marokkaanse derdelander, tegen het terugkeerbesluit van 4 juli 2025. Eiser verbleef eerder rechtmatig in Nederland op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege de situatie in Oekraïne, maar deze tijdelijke bescherming werd beëindigd per 4 maart 2024. Verweerder legde daarop een terugkeerbesluit op omdat eiser niet langer rechtmatig in Nederland verbleef.
Eiser voerde aan dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming onrechtmatig was, onder verwijzing naar het arrest Kaduna en Abkez en de brief van de minister aan de Tweede Kamer. Tevens stelde eiser dat hij niet gehoord was voordat het terugkeerbesluit werd opgelegd, wat volgens hem in strijd was met het arrest Sopopre.
De rechtbank oordeelde dat verweerder bevoegd was het terugkeerbesluit op te leggen omdat eiser op het moment van het besluit geen rechtmatig verblijf meer had. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het Hof van Justitie van de EU, die bevestigen dat facultatieve tijdelijke bescherming beëindigd mag worden zonder toezegging tot verlenging. Ook was het horen van eiser niet vereist omdat hij voldoende gelegenheid had gehad zijn zienswijze kenbaar te maken.
Ten slotte concludeerde de rechtbank dat er geen aanwijzingen waren dat terugkeer naar Marokko een schending van artikel 3 EVRM Pro zou opleveren. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.