ECLI:NL:RBDHA:2025:21575

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
AWB - 23 _ 8344
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Wet BpmArt. 6a Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992Art. 22 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag BPM en interne compensatie bij geschil over CO2-uitstoot en historische nieuwprijs

Eiseres heeft een naheffingsaanslag BPM ontvangen omdat de Belastingdienst uitgaat van een hogere CO2-uitstoot dan door eiseres opgegeven. De rechtbank stelt vast dat de juiste CO2-uitstoot de door de RDW vastgestelde waarde van 137 gr/km WLTP is, welke in het kentekenregister is opgenomen. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze waarde onjuist zou zijn.

Verder is onomstreden dat de historische nieuwprijs van de auto te laag is vastgesteld, wat leidt tot een vermindering van de aanslag. Verweerder beroept zich echter op interne compensatie omdat het taxatierapport van eiseres gebreken vertoont en niet bruikbaar is voor het bepalen van de waardedaling. De rechtbank oordeelt dat het taxatierapport niet betrouwbaar is en dat de forfaitaire tabel moet worden toegepast, wat resulteert in een hogere aanslag.

Het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel faalt omdat verweerder geen ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan over andere elementen van de aanslag dan de historische nieuwprijs. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, aangezien het financiële belang minder dan € 1.000 bedraagt en de termijnoverschrijding beperkt is.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 30 september 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/8344

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 september 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 november 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2025.
Namens eiseres is mr. M.U. Sahin, kantoorgenoot van gemachtigde, verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en
mr. [medewerker belastingdienst 2] .
De rechtbank heeft de zaak ter zitting verwezen naar een meervoudige kamer. Met instemming van partijen heeft de rechtbank een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft op 1 april 2022 op aangifte een bedrag van € 629 aan Bpm voldaan voor de registratie van een Opel Corsa (de auto). De datum van eerste toelating van de auto is 22 december 2020.
2. De aankoopfactuur van de auto van 22 maart 2022 toont een aankoopbedrag van € 12.700.
3. In de aangifte heeft eiseres de te betalen Bpm voor de auto berekend op basis van een taxatierapport van [bedrijfsnaam 1] B.V. (het taxatierapport). De taxatie van de auto heeft op 11 februari 2022 plaatsgevonden en het taxatierapport is op 28 maart 2022 opgesteld. In het taxatierapport is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 24.046 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 10.691 (koerslijst [bedrijfsnaam 2] ). De taxateur heeft een bedrag van € 4.452 (72% van de gecalculeerde reparatiekosten € 6.183, 81) alsmede een bedrag van € 1.069 (10% van € 10.691) wegens ex-huurverleden als schade in aanmerking genomen en de handelsinkoopwaarde na schade op € 5.170 vastgesteld. In de aangifte is eiseres uitgegaan van een CO2-uitstoot van de auto van 124 gr/km WLTP.
4. De RDW heeft de auto op 31 maart 2022 gekeurd voor gebruik op de weg. Daarbij heeft de RDW de CO2-uitstoot vastgesteld op 137 gr/km WLTP.
5. Verweerder heeft met dagtekening 4 november 2022 een naheffingsaanslag Bpm ten bedrage van € 629 aan eiseres opgelegd, waarbij verweerder is uitgegaan van de door de RDW vastgestelde CO2-uitstoot van 137 gr/km WLTP. Voor het overige heeft verweerder de aangifte van eiseres gevolgd.
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd, meer specifiek of verweerder is uitgegaan van de juiste CO2-uitstoot. Niet meer is geschil dat verweerder, in navolging van eiseres, is uitgegaan van een onjuiste (te lage) historische nieuwprijs van de auto. In dat verband is nog wel in geschil of verweerder zich ten aanzien van de vermindering van de naheffingsaanslag die zou voortvloeien uit de hogere historische nieuwprijs, kan beroepen op interne compensatie, omdat – naar verweerder stelt – hij bij het vaststellen van de naheffingsaanslag door het volgen van de aangifte van eiseres op dat punt is uitgegaan van een te lage handelsinkoopwaarde, omdat daarin tot een te hoog bedrag aan schade in aanmerking is genomen.
Beoordeling van het geschil
CO2-uitstoot
7. De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor het vaststellen van de CO2-uitstoot van de auto dient te worden uitgegaan van de uitstoot vastgesteld volgens de WLTP meetmethode. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.
8. Op grond van artikel 9, eerste lid, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (Wet Bpm) wordt de belasting voor een personenauto bepaald aan de hand van de CO2-uitstoot van die auto. De voor de heffing van Bpm relevante CO2-uitstoot kan op grond van artikel 9, dertiende lid, van de Wet Bpm alleen worden bewezen met de bewijsmiddelen genoemd in artikel 6a van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (de Uitvoeringsregeling). Op grond van artikel 6a, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling geldt daarbij als uitgangspunt dat de omvang van de CO2-uitstoot blijkt uit het kentekenregister. Als de omvang van de CO2-uitstoot niet uit het kentekenregister blijkt dan kan de omvang van de CO2-uitstoot blijken uit de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in artikel 22 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw), dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming (CVO).
9. Vaststaat dat de RDW de CO2-uitstoot heeft vastgesteld op 137 gr/km WLTP en dat deze waarde ook in het kentekenregister is opgenomen. Alsdan heeft die waarde als uitgangspunt te gelden (zie hiervoor onder 8). De rechtbank vindt geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de RDW bepaalde CO2-uitstoot. Eiseres heeft met wat zij heeft aangevoerd en overgelegd niet aannemelijk gemaakt dat de RDW de CO2-uitstoot van de auto onjuist heeft vastgesteld. Nu de gegevens uit het kentekenregister leidend zijn, is verweerder bij het opleggen van de naheffingsaanslag terecht uitgegaan van een CO2-uitstoot van 137 gr/km WLTP.
Historische nieuwprijs
10. Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat de historische nieuwprijs van de autote laag is vastgesteld, dat deze € 25.657 bedraagt en dat dit in beginsel leidt tot een vermindering van de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 286.
Beroep op interne compensatie
11. Verweerder doet in verband met voornoemde vermindering een beroep op interne compensatie. Daartoe stelt verweerder – kort gezegd – dat het taxatierapport wegens diverse formele- en materiële gebreken niet kan dienen om de waarde dan wel de (omvang van de) schade van de auto te bepalen, en dat, nu er evenmin een adequate koerslijst beschikbaar is, ook geen gebruik kan worden gemaakt van de koerslijstmethode. De verschuldigde Bpm had daarom aan de hand van de forfaitaire tabel moeten worden vastgesteld, hetgeen meebrengt dat de naheffingsaanslag eerder te laag dan te hoog is, aldus verweerder.
12. Gelet op de door verweerder aangedragen formele- en materiele gebreken van het taxatierapport kan het taxatierapport van eiseres niet dienen voor de vaststelling van de verschuldigde Bpm. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat in het taxatierapport zonder nadere toelichting een niet nader onderbouwde stelpost van € 1.069 wegens huurverleden in mindering is gebracht en dat ook zonder nadere toelichting van een koerslijst voor een ex-rental voertuig is uitgegaan, die ook nog onjuist is ingevuld wat betreft de opties. Ook is niet duidelijk hoe er in het taxatierapport is omgegaan met (normale) gebruikersschade. Daarnaast acht de rechtbank het opmerkelijk dat de auto slechts een handelsinkoopwaarde van € 5.170 zou hebben, terwijl eiseres, een professionele autohandelaar, de auto voor € 12.700 heeft gekocht. Eiseres heeft voor dit verschil geen verklaring gegeven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de reële waardedaling van de auto en dus ook de vermindering van de Bpm niet kunnen worden vastgesteld op basis van het taxatierapport.
13. Verweerder bepleit vervolgens terecht dat het gebruik van de taxatiemethode na verwerping van het taxatierapport niet langer mogelijk is. [1] Immers, er is met het verwerpen van het taxatierapport van eiseres geen taxatierapport van de auto meer voorhanden. Alsdan kan de taxatiemethode ook niet (meer) worden toegepast en moet, naar verweerder ook stelt, in beginsel worden teruggevallen op de koerslijstmethode of de forfaitaire afschrijvingstabel.
14. Voor toepassing van de koerslijstmethode is, naar verweerder terecht stelt, vereist dat er een adequate (complete) uitdraai van een juiste koerslijst tot de gedingstukken behoort. Daarvan is hier geen sprake. Immers, er is enkel een koerslijst voorhanden van een ex-rental voertuig, terwijl door eiseres, op wie ook in dit verband de bewijslast rust, niet eens een begin van bewijs geleverd dat de auto een dergelijk ex-rental voertuig – dat wil zeggen een voertuig met een dusdanig huurverleden dat dit tot een blijvende waardevermindering leidt – is. Nu een juiste koerslijst (van een niet ex-rental voertuig) ontbreekt, kan ook de koerslijstmethode niet worden toegepast.
15. Gelet op het vorenstaande kan van de koerslijstmethode geen gebruik worden gemaakt. Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat in dit geval de verschuldigde Bpm dient te worden berekend aan de hand van de forfaitaire tabel. Eiseres heeft voor dat geval niet weersproken dat toepassing van de forfaitaire tabel leidt tot een hogere naheffingsaanslag. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de naheffingsaanslag niet te hoog is vastgesteld.
16. Eiseres heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat, gelet op de uitlatingen van verweerder in het verweerschrift over de vermindering van de naheffingsaanslag, de door verweerder in het nader stuk en ter zitting voorgestane interne compensatie in strijd is met het vertrouwensbeginsel.
17. Uit het verweerschrift maakt de rechtbank op dat verweerder een duidelijk, ondubbelzinnig standpunt heeft ingenomen met betrekking tot het geschilpunt over de historische nieuwprijs. Daaraan is de bewuste conclusie
‘vermindering van de naheffingsaanslag’verbonden. De (tegemoetkomende) standpuntinname van verweerder in het verweerschrift heeft hij nadrukkelijk beperkt tot het geschilpunt over de historische nieuwprijs. Het strekt naar het oordeel van de rechtbank dan te ver om daarin ook een toezegging/standpuntbepaling te mogen/kunnen lezen met betrekking tot andere elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, zoals bijvoorbeeld de in aanmerking te nemen schade. Met de uitlatingen in het verweerschrift is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een uitdrukkelijk en ondubbelzinnig prijsgeven van (een) standpunt(en) door verweerder met betrekking tot de overige elementen van de heffingsgrondslag/de naheffingsaanslag, waardoor verweerder zijn mogelijkheid om zich te beroepen op interne compensatie zou hebben prijsgegeven. Eiseres heeft de uitlating in het verweerschrift redelijkerwijs ook niet zo kunnen of mogen opvatten. De mededeling dat
‘de naheffingsaanslag tot € 286 dient te worden verminderd’, maakt ook niet dat de standpuntinname van verweerder breder kan worden getrokken, juist omdat deze conclusie zo specifiek is gekoppeld aan het bewuste standpunt over de historische nieuwprijs. Onder deze omstandigheden staat het verweerder vrij om – binnen de grenzen van de goede procesorde – lopende de beroepsprocedure nieuwe geschilpunten op te werpen en/of nieuwe standpunten in te nemen. Die grenzen heeft verweerder met zijn beroep op interne compensatie naar het oordeel van de rechtbank niet overschreden. Gelet op dit alles faalt het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel.
Conclusie
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Immateriële schade
19. Eiseres heeft in haar beroepschrift van 11 december 2023 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Verweerder heeft het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag op 9 november 2022 ontvangen. De rechtbank doet op 23 september 2025 uitspraak. De redelijke termijn is derhalve overschreden met, naar boven afgerond, tien maanden.
20. Voor het toekennen van een immateriële schadevergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. In het arrest van 14 juni 2024 [2] heeft De Hoge Raad geoordeeld dat in gevallen waarbij het financiële belang bij een procedure minder bedraagt dan € 1.000 en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Deze regel geldt niet voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden. Nu op de datum van het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 de redelijke termijn nog niet was verstreken en het financiële belang in deze procedure minder dan € 1.000 bedraagt, volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Proceskosten
21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. de Wit, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en
mr. M.J. Pelinck, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2025.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Zie Kamerstukken II 2014/15, 34 002, nr. 3, p. 31, alsook Hoge Raad 23 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1666, r.o. 3.2.5 en Hoge Raad 2 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:147, r.o. 3.3.1.