De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen de door het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland verleende omgevingsvergunning voor een tijdelijke opvanglocatie (AZC) voor 225 asielzoekers in Den Hoorn. Verzoekers betwisten de vergunning op diverse gronden, waaronder het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing van de locatiekeuze, de impact op lokale voorzieningen, verkeersbewegingen, en de samenstelling van de asielzoekers.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het college de regels voor het verlenen van de vergunning voldoende heeft nageleefd. De locatie is passend en alternatieven zijn niet aannemelijk geschikter gebleken. Het veiligheidsplan en de voorwaarden rondom de samenstelling en het maximale aantal asielzoekers zijn voldoende concreet en afdwingbaar. Ook is de behoefte aan het AZC voldoende onderbouwd met landelijke cijfers en het COA-gegevens.
Hoewel er een motiveringsgebrek is vastgesteld omtrent het ecologisch werkprotocol, leidt dit niet tot schorsing van de vergunning. De voorzieningenrechter concludeert dat het spoedeisend belang aanwezig is, maar dat de aangevoerde bezwaren onvoldoende zwaarwegend zijn om de vergunning voorlopig te schorsen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.